Voetballers en trainers kunnen een daad stellen

Scheidsrechters en tegen- standers worden steevast beledigd door het tribune- volk. Velen tonen veront- waardiging, maar weinigen stellen een daad. Voetbal- lers en trainers moeten zich bezinnen op hun verantwoordelijkheid.

Af en toe steekt een politicus zijn vinger op wanneer weer eens opwinding is ontstaan over wangedrag van voetbalsupporters. Soms blijkt een socioloog of een massapsycholoog daarover vooral naar eigen tevredenheid een onderzoek te hebben afgerond, of verkondigt een burgemeester ten einde raad in samenspraak met de politiebaas dat zij niet voldoende mankracht hebben om het geweld rondom stadions te beheersen. Vooral scheidsrechters uiten voortdurend hun ongerustheid. Maar zelden wordt iets vernomen uit de voetbalwereld zelf, vooral van trainers of voetballers. Zelfreflectie is hen vreemd.

De aanvoerder van een elftal wordt er tijdens een wedstrijd weleens op uitgestuurd om zijn aanhang tot bedaren te brengen. Met sussende gebaren dringt hij dan bij de baldadige aanhang aan op minder vijandig gedrag, omdat anders de scheidsrechter de wedstrijd staakt. Onder het gejoel van `zo'n goeie hebben wij nog niet gehad' gaat het spel weer door. Totdat er weer iets gebeurt dat de aanhang niet bevalt. Dan ontsteken de supporters in toorn en wordt de scheidsrechter of een tegenstander wiens huidskleur, kromme neus of grote oren hen niet aanstaan tot op het bot beledigd.

En trainers? Ze mompelen wat over `tuig' en `gêne', schudden mismoedig het hoofd bij zoveel verbaal en vocaal geweld, maar plaatsen vervolgens heel snel hun twijfels bij het functioneren van de zintuigen van scheids- en grensrechter. Hoe vaak zijn scheidsrechters niet neergezet als minkukels, onder aanvoering van hooggekwalificeerde trainers? In samenwerking met de voetbalpers, die zich doorgaans slaafs conformeert aan de subjectieve mening van trainers, voetballers en clubbestuurders, zetten ze de toon: scheidsrechters zijn spelbrekers, ze voelen het spel niet aan, ze hebben slechte ogen, zijn dom en zo verder.

De provocerende manier waarop PSV-trainer Gerets zich onlangs in de wedstrijd tegen Bayern München liet gaan, zou voor PSV-supporters aanleiding kunnen zijn Duitsers nog meer te haten dan ze al doen. En de manier waarop Feyenoord-trainer Beenhakker vorige week zei (,,ik weet dat ik het niet mag zeggen'') dat Feyenoord gelukkig niet tegen Duitsers had geloot – omdat Duitsers volgens hem meer Schwalbes maken dan menig ander voetballersvolk. Is dat niet olie op het vuur van de heersende haat tegen Duitsers? Om over het niveau aangaande verbale provocaties van aanzienlijk minder geciviliseerde trainers en voetballers maar te zwijgen.

Al heel lang geleden is door gedragswetenschappers, zelfs mede op basis van theorieën van Freud en Lorenz, onderzoek gedaan naar het verband tussen het geweld op het veld en het geweld op de tribunes. De ene onderzoeker meende een wisselwerking te hebben gevonden, de ander twijfelde. Duidelijk is dat verbaal geweld op de tribunes al eeuwen heerst. Neem de ophitsende - opwaarts dan wel neerwaarts - gerichte duim van de Romeinse keizer in de arena bij de gevechten tussen beulen en gevangenen. Dezer dagen wordt verkondigd dat de samenleving agressiever wordt, dat de sport daarom agressiever wordt. Dus ook het publiek, dat zich bovendien na een stressvolle werkweek afreageert op voetballers en scheidsrechters die niet aan de vurig verlangde triomf op de vijand (baas, werk, huwelijk) willen meewerken. Het is mogelijk, want is sport niet een manier om te ontspannen en trauma's te verwerken?

Wie zich naar het stadion begeeft, wordt overweldigd door agressie. Politie te paard en op de motor, politie met helm en wapenstok, gespannen suppoosten, overspannen toeschouwers. Een stadion in een woonwijk vraagt om conflicten. En dan in het stadion: omroepers die niet alleen nadrukkelijk sympathiseren met de thuisploeg, maar zich ook manifesteren als hysterische aanhangers wanneer de thuisploeg heeft gescoord en met sombere stem melding maken van een vijandelijk doelpunt. Vroeger was een omroeper een man die alleen de opstellingen voorlas. Vorig jaar schreeuwde de omroeper van de Arena na afloop dat Ajax had verloren ,,omdat de tegenstander met twaalf man had gespeeld''. Hij kwalificeerde de scheidsrechter als een tegenstander. De omroeper heeft nu gelukkig een andere hobby.

Je hoort voetballers wel eens zeggen dat ze zich ergeren aan hun eigen aanhang en je hoort wel eens van zwarte voetballers dat ze nachten wakker liggen van alle beledigingen. Maar wanneer plaatst een voetballer midden in de wedstrijd de handen nu eens in de zij en zegt hij tegen zijn trainer dat hij ermee stopt? Kunnen de spelers die populariteit genieten en onmiskenbaar gezag hebben bij het supportersvolk niet gewoon van het veld lopen en zeggen: `Bekijk het maar met jullie domme geschreeuw?' Laat hen een daad stellen. Net als trainers. Stoppen en weglopen. Of zijn ze bang, bang voor het volk dat dronken, stoned of gewoon overspannen zijn diepste frustraties afreageert op mensen die ook hun best doen om in deze wereld te overleven? Bang dat het voetbal wordt afgeschaft en dat ze niets meer hebben om van te leven?

    • Guus van Holland