Trompettist met realiteitszin

De maandagavond in New York overleden trompettist Lester Bowie (58) hield van verkleedpartijen, was een liefhebber van grote sigaren maar was bovenal een heel bijzonder stylist. Hij praatte op zijn trompet als een preacherman en werd om zijn specifieke technieken wel de `Cootie Williams van de avant-garde' genoemd. Zijn grootste verdienste was dat hij erin slaagde oud en nieuw te smeden tot een geheel dat voor velen toegankelijk was.

Lester Bowie, die opgroeide in een muzikaal gezin was al heel jong actief, onder andere in de bluesbands van Albert King en Little Milton. In '65 werd hij muzikaal leider van de band van Rhythm & Blues zangeres Fontella Bass met wie hij eerder was getrouwd. In Nederland drong de naam Lester Bowie begin jaren '70 door, nadat hij met vier anderen het Art Ensemble of Chicago had opgericht. Een groep die naar hartelust experimenteerde en daardoor in Amerika geen poot aan de grond kreeg.

De groep streek neer in Parijs en speelde daar telkens voor een handjevol mensen tot Bowie en de zijnen besloten daar dan maar wat theater aan toe te voegen. Het resultaat is zien op de platenhoezen uit die tijd; Amerikaanse avantgardisten vermomd als volbloed Afrikanen met kleurrijke gewaden en beschilderde gezichten. Bowie was minder verzot op knoeien met verf en droeg consequent een doktersjas `om aan te geven dat ik de jazztraditie aan alle kanten als een wetenschapper had bestudeerd.' Ook het instrumentarium van het AEOC was indrukwekkend: er werden wel honderd instrumenten bespeeld van rammelaar tot contrabas-saxofoon.

Door de in Europa afgedwongen aandacht werd het Ensemble ook in Amerika erkend met als resultaat Fanfare for the Warriors, een lp die alom werd toegejuicht. Toen het Ensemble in 1980 begon aan een serie platen voor het sjieke Duitse label ECM werd het succes compleet, maar was het avontuur er een beetje af.

Tegelijk met de AEOC-producties maakten de groepsleden ook platen op eigen naam. Artistiek zeer bevredigend wat Bowie betreft waren bijvoorbeeld Fast Last! en Rope-A-Dope. Meer publieke bijval viel hem echter ten deel met het project `From the Root to the Source' waarmee hij in augustus '83 ook optrad in de Amsterdamse Meervaart. Met echtgenote Fontella en schoonmoeder Marthe Bass werd een show gebracht die werd gestolen door Davis Peaston, een jongeheer van tweehonderd kilo die een machtige sopraanstem opzette. Van het repertoire van die avond komt de jaren-vijftig-hit The Great Pretender daarna telkens terug. Ook als Bowie zijn koperband Brass Fantasy opricht waarmee hij in '98 zijn laatste cd maakt. `Doen alsof' was voor Lester Bowie geen enkel bezwaar mits hij ook kon ventileren wat hij in zijn mars had. Dat hij daar veertig jaar lang in slaagde was te danken aan zijn realiteitszin. ,,Het eerste waar je op moet letten als je serieus muziek gaat spelen, is persoonlijke aanleg en persoonlijke zwakheid'', zei hij in een interview. Bowie vermeed daarom de hoge noten die hij toch nooit goed zou raken en haalde alles uit waar hij goed in was: een gesprek van mens tot mens.

    • Frans van Leeuwen