Stadionverbod

EEN DELEGATIE uit de Tweede Kamer is dezer dagen op dienstreis in Marseille geweest. Enthousiasme is het resultaat. Want in Frankrijk, zo hebben de volksvertegenwoordigers begrepen, weet men raad met voetbalvandalisten. Waar in Nederland de clubs en de KNVB proberen het geweld rond de velden in eigen hand te beteugelen, komt in Frankrijk de strafrechter om de hoek kijken. Volgens de Franse wet kan een rechter een vandalist een stadionverbod van vijf jaar opleggen. Als zijn club speelt, moet de `hooligan' zich melden bij de politie op straffe van twee jaar cel.

In Nederland is de bestrijding van het voetbalvandalisme in eerste instantie ondergebracht bij een netwerk, waarin clubs en politie proberen samen te werken maar uiteindelijk geen knopen kunnen worden doorgehakt. Op zichzelf is dat model niet belachelijk. De voetbalsport moet zijn eigen boontjes zien te doppen. Dat geldt zeker voor de topclubs die zich steeds minder vereniging voelen omdat ze zich zijn gaan gedragen als entertainmentondernemingen, met alle pretenties van dien. Als het hun werkelijk ernst is dat de stadions toegankelijk blijven voor fatsoenlijk volk, dan zijn zij (bestuurders en trainers) er allereerst verantwoordelijk voor dat de tribunes niet louter bezet worden door toeschouwers die zich anderhalf uur onledig houden met `kankerverwekkende' verwensingen aan het adres van scheidsrechter en spelers. De `billboards' (bijvoorbeeld tegen racisme in de sport) blijken geen effect te hebben. Het wordt tijd dat trainers en spelers het `spelletje', zoals voetbal eufemistisch wordt genoemd, gewoon eens staken en de verantwoordelijkheid niet afwentelen op een eenzame arbiter als Dick Jol.

DE KAMERLEDEN hebben nu vanuit Marseille opgeroepen ook de Nederlands wet naar Frans model te verruimen. Dit plotselinge inzicht geeft om twee redenen te denken.

Ten eerste wegens het tijdstip. Over een half jaar wordt in Nederland en België het Europees voetbalkampioenschap georganiseerd. Over een maand weten we welke nationale teams daaraan meedoen. De politie staat komende zomer hoe dan ook een zware maand te wachten. De problemen die de internationale voetbaltoernooien oproepen, zijn al jaren bekend. Bij het WK in Frankrijk werd vorig jaar zomer nog een politieman halfdood getrapt door Duitse hooligans. Tot voor kort toonde de Kamer geen interesse omdat de organisatie immers geen staatsaangelegheid is. Nu ineens is zoveel haast geboden, dat minister Korthals van Justitie tot spoed wordt aangespoord. Ten tweede om de inhoud van hun voorstel. Ook in Nederland is het, sinds een arrest van de Hoge Raad uit 1996 waarmee een stadionverbod van vijf wedstrijden werd gesanctioneerd, mogelijk om notoire vandalisten de toegang te weigeren en dat via meldingsplicht te controleren. Dat de Kamerdelegatie dit arrest in allerijl tot wet wil promoveren, wekt de schijn van paniekvoetbal. De wettelijke mogelijkheden voor justitie en politie zijn, mede na de problemen rond de Eurotop van 1997 in Amsterdam, inmiddels ook al uitgebreid.

Het zou de wetgever sieren als hij niet alleen sigaren uit eigen doos zou presenteren maar zich ook eens zou buigen over de anomalie dat de overheid alleen voor de lasten van de voetbalsport opdraait en de clubs zich wentelen in de lusten. Want dat andere element in het Franse model – de politie stuurt daar een rekening voor haar diensten – is pas echt een dilemma. Commercialisering van de politie staat haaks op het idee dat de diender van en voor iedereen is.