Overheid mag niet toegeven aan xenofobie

De xenofobie die sedert de negentiende eeuw een centraal thema in de Europese politiek is geweest – en onderbroken werd door het schokeffect van Auschwitz – is weer terug van nooit echt weggeweest. Alleen heten de objecten van wantrouwen en minachting tegenwoordig geen joden meer, maar `allochtoon' of `vluchteling'. Ook zij hebben in de regel minder dan volledige burgerrechten; ook de `kennis' van hun culturen en religies berust op vooroordelen en generalisaties.

Sedert Kollum hebben we zelfs een moderne variant op de aloude beschuldiging van rituele moord: als in een dorp een meisje verkracht en vermoord wordt, is de dader `natuurlijk' een asielzoeker. Net als een eeuw geleden wordt deze hetze mede aangewakkerd door de media: op 15 oktober (nota bene de dag waarop een DNA-test uitwees dat de verdachte Iraniër onschuldig was) prees tv-criticus Maarten Huygen in deze krant de o zo degelijke dame die in onverbloemd racistische taal eiste dat er geen asielzoekerscentrum in haar gemeente gevestigd zou worden. Er was naar zijn mening geen sprake van rechts-extremisme, omdat de vrouw in kwestie de `lokale consensus' verwoordde.

Maar wat is `lokale consensus' nu helemaal anders dan de poldermodel-variant op het gesundes Volksempfinden? Gelukkig maar dat de buurthuizen zijn wegbezuinigd zou je bijna denken, anders had men de bewoners ook nog een cursus `pogrom' kunnen aanbieden. In Tsjechië gaat men overigens al een stap verder: in Ústí nad Labem zijn de Roma door middel van een gettomuur gescheiden van de `Tsjechische inwoners'.

En vorige maand gleed Nederland weer iets verder af naar geïnstitutionaliseerde xenofobie: de burgemeester van Elst kondigde aan, om `gevoelens van onrust weg te nemen', een avondklok in te stellen voor de toekomstige bewoners van het tentenkamp dat als tijdelijke opvang van asielzoekers zal dienen. De reacties in de landelijke politiek waren voor een aanzienlijk deel instemmend dan wel vergoelijkend. Zo zijn de toekomstige bewoners van het tentenkamp al bij voorbaat verdacht gemaakt. Een avondklok is in dit land sedert de Duitse bezetting niet meer van kracht geweest, dus, zo zal de redenering luiden, zal het wel niet voor niets zijn.

Deze houding van de Nederlandse overheid – toegeven aan xenofobische stemmingmakerij – heeft beangstigende parallellen in de negentiende eeuw. Een belangrijke reden dat de pogroms in het tsaristische Rusland vaak dagen duurden was de weigering van de plaatselijke overheden – gesteund door het centrale gezag – om de joden te beschermen tegen de agressie van de bevolking, die meestal was opgehitst door priesters of wat wij nu `extreem-rechtse groeperingen' zouden noemen. Noch de tsaar, noch de plaatselijke overheid wilde ervan beschuldigd worden, `aan de kant van de joden' te staan. De aantasting van de rechtsorde, die geen zichzelf respecterende staat normaliter door de vingers ziet, werd daarbij voor lief genomen.

Dat de angst voor dergelijke `verdenkingen' niet geheel ongegrond was, bleek in Oostenrijk. Daar kreeg de allesbehalve progressieve keizer Franz-Josef I de bijnaam `de jodenvriend' wegens het beschermen van de burgerrechten van de joden, maar vooral door zijn weigering de benoeming te aanvaarden van de in 1895 tot burgemeester van Wenen gekozen antisemiet Karl Lueger.

Het xenofobe nationalisme van de negentiende eeuw leidde tot twee wereldoorlogen. Europa is nu opnieuw in de greep van etnische spanningen – op het niveau van burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië, in de vorm van agressie tegen minderheden in de rest van Europa, zowel Oost als West.

In alle gevallen gaat het er om dat mensen zich bevinden op plaatsen waar zij volgens anderen niet thuishoren, wat er verder ook aan quasi-historische rechtvaardigingen in het eerste, of criminologische fantasieën in het tweede geval bij worden bedacht.

De Nederlandse overheid staat voor een principiële keuze: het beschermen van de mensenrechten, ook en juist als het gaat om mensen die geen Nederlandse staatsburgers zijn en die kennelijk dringende redenen hadden hun eigen land te verlaten, desnoods tegen het gemor van het volk in; of het toegeven aan de `lokale consensus' en daarmee kiezen voor het hellende vlak van steeds verdergaande aantasting van rechten van vluchtelingen en ongetwijfeld ook andere minderheidsgroepen. Er is geen tussenweg mogelijk, niet alleen omdat het om het principe van de democratische rechtsorde gaat, maar meer nog omdat toegeven aan irrationele gevoelens van angst, afkeer en wat er nog meer onder `het volk' moge leven, die gevoelens slechts bevestigt en dus tot nog extremere eisen en acties zal leiden.

Manja Ressler is medewerker van NRC Handelsblad.

    • Manja Ressler