Op megabedrijf is het varken een product

De boerderij met een paar koetjes en wat kippen is een verloren idylle. Agrarische ondernemingen met miljoenenomzetten zijn in opkomst. Het nieuwe boerenbedrijf verschilt weinig van andere ondernemingen.

Staande tussen de zeugen in de groepsstal wijst Martin Houben naar een varken dat staat te dringen voor een sluis. De chip in het oor van de zeug meldt de voedermachine dat varken 4174 nog 2,3 kilo mag eten die dag. Als haar honger is gestild, wordt ze automatisch door de sluis naar buiten geduwd. De volgende zeug staat klaar.

De varkenshouderij in Ysselsteyn is een modern, efficiënt bedrijf, Houben een ondernemer die om klokslag vijf naar huis gaat. In de weekeinden is hij vrij. Dat Houben in varkens doet is niet vreemd; zijn opa en vader waren al varkensboer. Maar Martin Houben had net zo goed wat anders kunnen doen, zegt hij. Met zijn opleiding, ondernemingstalent en ervaring had hij elk ander bedrijf kunnen leiden. Een varken is net zo goed een product als een brood, of een wasmachine, vindt hij. Maar daar komt hij nog op terug.

`Van zaadje tot karbonaadje' is het motto van de Houbensteyn Groep. De groep houdt 55.000 fok- en vleesvarkens, verzorgt zelf de inseminatie, de slacht en de verwerking tot verpakt vlees en vleeswaren. De 700 ton meng- en brijvoer die de varkens wekelijks verorberen wordt eveneens in eigen beheer samengesteld.

De Houbensteyn Groep is met een omzet van gemiddeld 70 miljoen gulden per jaar een van de `megabedrijven in agrarisch Nederland', waarnaar Kees Verhaar en Aimée Hoeve van het Wageningse onderzoekscentrum Stoas onderzoek deden. Hun gelijknamige studie is vandaag gepresenteerd.

In opdracht van de land- en tuinbouworganisatie LTO definieerden zij wat het is, zo'n megabedrijf. Deze grote bedrijven, die soms wel 160 mensen in dienst hebben, maken inmiddels zo'n 10 procent uit van het totale aantal Nederlandse boerenbedrijven. Ze ontwikkelen zich veel sneller dan kleinere bedrijven, met name door vergaande specialisatie en ketenintegratie.

Zeven van de tien mega-veehouders hebben een of meer vestigingen in het buitenland. De grond is er goedkoper en er mogen, in het geval van runderen, meer koeien per hectare worden gehouden.

De schaalvergroting in de landbouw, voor veel boeren noodzakelijk om het hoofd boven water te houden, staat in een kwade reuk. Tegen de achtergrond van de varkenspest nam de Tweede Kamer in 1997 een motie aan die megabedrijven `maatschappelijk ongewenst' noemde en de regering opriep deze bedrijven te ontmoedigen. ,,Het moderne gezinsbedrijf dient de basis te vormen in de varkenshouderij'', zo verwoordde de motie. Gekke-koeienziekte, dioxinecrisis en hormoonschandalen hebben de weerstand tegen agrarische megabedrijven er niet minder op gemaakt.

Ook binnen de agrarische sector zelf stuiten dit soort grote, gespecialiseerde melkvee- of varkenshouderijen of glastuinbouwbedrijven op weerstand, omdat het traditionele familiebedrijf sterk onder druk staat. Tegenstanders van grote bedrijven voeren aan dat het beter is tien familiebedrijven met elk duizend varkens te hebben dan één bedrijf met tienduizend varkens. Houben vindt dit onzin: ,,Wij zijn een gezinsbedrijf. De arbeidskrachten die we in loondienst hebben onderhouden op hun beurt ieder een gezin.''

Wat het traditionele familiebedrijf bovenal opbreekt is dat de boerderij tegelijk een oudedagsvoorziening is, die de kinderen over kunnen nemen. Door de sterk gestegen marktwaarde van de bedrijven in de afgelopen jaren blijken de boerderijen vaak echter te duur voor de volgende generatie. En dan komen veel kapitaalkrachtiger buitenstaanders aan bod. In de Verenigde Staten is die trend duidelijk zichtbaar; daar kopen multinationals agrarische bedrijven op.

De ontwikkeling van keuterboer naar manager is goed zichtbaar geworden in drie generaties Houben. Begon opa nog met enkele kippen en wat akkerbouw, vader Houben zette de eerste stappen naar grootschaligheid en specialisatie. ,,Hij was de echte pionier'', zegt Martin Houben. Zijn vader maakte sinds 1961 van een boerderij met 180 vleesvarkens een gespecialiseerde varkenshouderij met 3000 zeugen en 15.000 vleesvarkens. Dat aantal is nu meer dan verdubbeld.

Drie jaar geleden namen Martin en zijn broer het bedrijf over. Vader Houben zegt dat hij niet had kunnen doen wat zijn zonen nu voor elkaar krijgen. Hij heeft bijvoorbeeld nooit met computers gewerkt. ,,Voor dit werk moet je jong en innovatief zijn, anders red je het niet'', denkt Martin Houben. Hij doelt onder meer op de enorme concurrentie in de landbouw en de strenge milieu- en hygiëne-eisen waardoor ieder dubbeltje moet worden omgedraaid.

Volgens LTO-voorzitter G. Doornbos heeft het weinig zin om voor- of tegenstander van de schaalvergroting te zijn. ,,Het is een ontwikkeling van de laatste jaren die niet tegen is te houden. Het onderzoek bevestigt het beeld dat de economische krachten in de agrarische sector weinig verschillen met die in andere branches. Allerlei romantische waanideëen worden hierdoor ontkracht.''

Toch is `boer zijn' een manier van leven, erkent Martin Houben, terwijl hij een navelstreng van een pasgeboren big verwijdert. ,,Je moet behalve ondernemer ook vakman zijn.''

Hij mag dan ieder ander bedrijf kunnen leiden, niet iedere ondernemer is in de wieg gelegd voor het boerenbedrijf: ,,Je hebt te maken met een levend product, de varkenshouderij moet in je bloed zitten.''

    • Esther Rosenberg