Hollandse meesters niet allemaal even waardevol

Diefstal van kunst uit privé-bezit, zoals onlangs in Bilthoven, komt vaker voor dan bekend wordt gemaakt.

De Haagse kunsthandelaar J. Hoogsteder weet nog dat hij enkele jaren geleden in de Bilthovense villa was. Bij een gisteren bekend geworden overval werd daar vorige week een verzameling Hollandse meesters gestolen met een geschatte waarde van drie miljoen gulden. De 84-jarige bewoonster had niet afgesloten toen gemaskerde mannen op zondag 31 oktober, 's avonds om half acht, haar woning binnendrongen. Ze verwachtte nog bezoek.

Volgens kunsthandelaar Hoogsteder beschikte de 84-jarige over ,,een goede burgermanscollectie''. Er hing ,,een aardige Jan Steen'' (Antonius en Cleopatra), een ,,niet oninteressante Van Goyen'' (Watergezicht met duiventil en hooiberg), er hingen werken van Herman Saftleven, Salomon Ruysdael en Isaac Israëls, maar het zou overdreven zijn, zegt Hoogsteder, ,,om te spreken van de grote top''. Hij zegt: ,,Ik denk niet dat ze snel in een tentoonstelling zouden worden opgenomen.''

Op de vraag of er nog veel oude meesters in Nederland in particuliere handen zijn, zegt directeur F. Duparc van het Mauritshuis in Den Haag: ,,Ik hou het in de gaten en er zijn gelukkig nog vrij veel Hollandse meesters in particulier bezit.'' Hij herinnert aan de tentoonstelling Uit de schatkamers van de verzamelaar in 1995 in zijn museum: alleen zeventiende-eeuwse werken uit particulier bezit, waaronder De tekenles van Jan Steen.

Duparc zegt zo'n twintig Nederlandse verzamelaars te kennen die werken bezitten ,,die we graag aan onze wanden tonen''. Miljoenencollecties in anonieme handen, voornamelijk bij oud geld, zegt hij. ,,Maar er zit ook nieuw geld tussen: mensen die relatief recent hebben besloten te gaan verzamelen.'' En er zijn de `stillen'. ,,Soms kom ik mensen op het spoor die al járen heel stilletjes verzamelen.'' Zulke ontdekkingen fascineren hem altijd weer. ,,Misschien'', zegt hij vanuit zijn kantoor in het Mauritshuis, ,,hangt hier aan de overkant wel een prachtige Albert Cuyp achter een afgesloten raam. Who knows?''

Het kunsthistorische belang van zeventiende-eeuwse werken in particuliere handen moet niet overdreven worden, zegt de Haarlemse kunsthandelaar R. van der Neut. ,,Die oude meesters moesten ook op maandagochtend werken.'' De meeste topwerken zijn inmiddels in handen van musea of via de veiling naar het buitenland verhuisd. De Nederlandse verzamelaars zijn een vergrijzende groep, vertelt Van der Neut. ,,Jongere mensen trekken ook steeds vaker hun neus op bij zo'n herbergscène met dronken boeren.''

De spectaculair stijgende prijzen zouden de aandacht voor de beveiliging van de nog resterende privé-verzamelingen moeten vergroten – maar helaas. ,,Mensen hebben vaak niet eens een foto van hun bezit. Ook naar het formaat moeten ze nogal eens gokken als de politie ernaar vraagt. Dan is het dus te laat'', zegt Van der Neut. Kunsthandelaar R. Noortman uit Maastricht ziet het anders. ,,We moeten niet gaan doen alsof het hoogst riskant is dit soort werken in huis te hebben.''

De angst voor beroving neemt toe. Van der Neut weet nog dat het Dordrechts Museum in de jaren vijftig een tentoonstelling oude meesters in private handen organiseerde: de eigenaars kon je in de catalogus terugvinden. Het Mauritshuis noemde in zijn catalogus vier jaar geleden geen enkele bezitter. De indruk bestaat dan ook dat het aantal berovingen toeneemt.

De politie dringt meestal aan een roof vertrouwelijk af te handelen. Dat deed men ook bij de 84-jarige Bilthovense, maar zij verkoos De Telegraaf te informeren. Omdat er via de divisie Centrale Recherche Informatie en Interpol een snel informatiesysteem bestaat van gestolen kunst, waardoor iedere handelaar ter wereld binnen een week is geïnformeerd, is het aantrekkelijk te proberen helers tegen de lamp te laten lopen. Maar er is een keerzijde. Anders dan de meeste musea zijn privé-verzamelaars veelal goed verzekerd, en dat brengt alle betrokkenen bij een kunstroof voor de verleiding de zaak in stilte af te handelen. ,,De tienprocentstruc'', noemt Noortman dat. Van der Neut legt uit hoe die werkt. Een verzekeraar wordt benaderd door een tussenpersoon die zegt: ik kan dat-en-dat gestolen werk terugbrengen. De verzekeraar komt dan voor de keuze: tien procent vindersloon uitkeren of honderd procent van de verzekerde waarde aan de eigenaar betalen. ,,Daar zit een dubieuze kant aan – het is heling – maar je stelt iedereen tevreden. Als het om een werk van acht ton gaat hoeft de verzekeraar maar 80.000 gulden te betalen en komt het werk terug. Zo `verdient' de verzekeraar 720.000 gulden. Men zegt dat niet graag hardop – maar het gebeurt wel degelijk.''

    • Tom-Jan Meeus