Hoge Raad zaait twijfel met arrest nieuwsgaring

De Hoge Raad oordeelde gisteren dat het belang van vrije nieuwsgaring ondergeschikt kan zijn aan dat van justitiële opsporing.

De bescherming van de bronnen van een journalist is een van de essentiële voorwaarden voor persvrijheid. De Hoge Raad hanteert dit als uitgangspunt, zoals bleek op 10 mei 1996 in een arrest over het gebruik van geheime bronnen in de zogeheten Limburgse corruptie-affaires. Volgens de raad is met de bronnenbescherming een zeer zwaarwegend publiek belang gemoeid, zodat alleen een nóg zwaarderwegend belang een inbreuk op de journalistieke geheimhouding toe kan laten.

De uitspraak betekende een breuk met de tot dan toe geldende jurisprudentie. Door de jaren heen heeft de Nederlandse justitie niets moeten hebben van een journalistiek verschoningsrecht, ook al bezwoer de journalistieke beroepsgroep dat bescherming van geheime bronnen onmisbaar is voor met name de onthullingsjournalistiek. Dat is gebleken: de Slavenburgbank, de Surinaamse drugsconnectie, de IRT-affaire.

In 1996 moest de Hoge Raad toch echt `om' als gevolg van een uitspraak van het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. Het betrof een Engelse zaak, maar de boodschap had een brede strekking. Het Europese Hof noemde het journalistieke verschoningsrecht onmisbaar voor de rol van de media als `waakhond' in een democratische samenleving. De Hoge Raad erkende met zoveel woorden dat de Straatsburgse uitspraak haar noopte de deur open te zetten voor bronbescherming.

Nederland is wel eens eerder teruggefloten in Straatsburg, onder meer wegens het royale gebruik van anonieme getuigen in strafzaken. Het Europese Hof wees ons land in 1989 terecht, maar de rechtspraak onder aanvoering van de Hoge Raad toonde zich aanvankelijk niet erg overtuigd.

In het geval van het journalistieke verschoningsrecht liet het Europese Hof een gat in de rechtsbescherming, namelijk waar het de inbeslagneming van beeld- en geluidsmateriaal van de media betreft. Het gaat vooral om niet-uitgezonden materiaal. Van bescherming van een vertrouwelijke `klokkenluider', die mogelijk groot persoonlijk nadeel van zijn onthullingen kan verwachten, is dan geen sprake.

Wel staat de vrijheid van nieuwsgaring op het spel, want het gevaar is niet denkbeeldig dat de media bij onlusten een speciaal doelwit worden van relschoppers wanneer bekend is dat politie en justitie gebruik kunnen maken van niet-uitgezonden materiaal. Dat heeft evenzeer te maken met de waakhondfunctie als de klassieke bronbescherming.

De Hoge Raad toont zich niet onder de indruk van dit argument en doet het af als niet meer dan ,,een veronderstellenderwijs aannemelijke belemmering van de vrije nieuwsgaring''. Inbeslagneming van beeldmateriaal door de rechter is volgens het college bovendien niet een directe inbreuk op deze vrijheid. De overheid heeft immers niets in de weg gelegd aan de vervaardiging of openbaarmaking van het beeldmateriaal van de onlusten in Amsterdam.

Politie en justitie zullen het met deze uitspraak van de Hoge Raad in de hand wel uit hun hoofd laten om journalisten te verhinderen opnamen te maken. Dat bespaart hen het risico van repressailles en in elk geval bespaart het hen de moeite. Toch is het in deze tijd – waarin de Tweede Kamer debatteert over camera's op de helm van leden van de Mobiele Eenheid – een reële stelling dat politie en justitie een eigen verantwoordelijkheid hebben voor het bijeenbrengen van videobewijsmateriaal.

Daarover zegt de Hoge Raad niets. Het college zwijgt ook over de vrijheid van berichtgeving die ten grondslag ligt aan de keuze bepaalde beelden al dan niet op te nemen of te openbaren. Inbeslagneming achteraf heeft op deze vrijheid wel degelijk een verkillende werking. De gretigheid waarmee de Hoge Raad het belang van de strafvordering voorrang geeft boven dat van vrije nieuwsgaring, doet meer in het algemeen twijfel rijzen aan de ernst van de eis van een ,,nóg zwaarderwegende belang'' die het college in 1996 aan zichzelf stelde.

Wat nu? De huidige senator Jurgens heeft in 1993 een initiatief-wetsvoorstel ingediend om de ,,patstelling'' rond de bescherming van journalistiek materiaal te doorbreken. Het wetsvoorstel is in de luwte geraakt na de uitspraak van het Europese Hof, maar nooit ingetrokken. Wellicht is het voor de media toch beter maar direct naar Straatsburg te gaan, zoals SBS nu overweegt.

    • F. Kuitenbrouwer