Het Westen toonde na 1989 onbegrip voor Oost-Europa

Na de val van het communisme behandelde het Westen Oost-Europa slechts met dédain en toonde het geen enkel begrip voor de ontwikkelingen in dit gebied, meent Jonathan Eyal. De Oost-Europeanen danken het succes van de wederopbouw dan ook vooral aan zichzelf.

De val van het communisme in Europa ligt dezer dagen tien jaar achter ons, en dat wordt met de nodige galmende toespraken en ceremonies gevierd. Nog altijd is het moeilijk niet ontroerd te raken bij het terugzien van de jongeren die met hun blote handen de Berlijnse Muur te lijf gingen of van het verbeten zwijgen van miljoenen Tsjechen en Slovaken die eenvoudig weigerden zich nog langer te laten intimideren. De revolutie van 1989 zal in de annalen van de geschiedenis worden bijgeschreven. Maar toekomstige generaties zullen één belangrijk ingrediënt van het hele gebeuren moeten missen: het volstrekte onbegrip in West-Europa voor wat er destijds verder in het Oosten plaatsvond en de verbazende volwassenheid van de naties die uit de verdrukking te voorschijn kwamen.

Het Westen deed in 1989 nauwelijks iets om Oost-Europa te helpen. De meeste westerse politici waarschuwden zelfs dat zij tot aan oktober van dat jaar liever een geleidelijke dan een abrupte overgang hadden, een coëxistentie tussen cipiers en gevangenen. Het Westen beijverde zich in 1989 in de eerste plaats om de Sovjet-Unie bijeen te houden. Als dat inhield dat Moskou enige invloed behield op de helft van van Europa, dan was dat een offer waartoe de westerse regeringen bereid waren. Zeker, aan democratie en mensenrechten werd lippendienst bewezen. Maar oppositieleiders in Oost-Europa werden veelal gezien als storende elementen, weinig bedreven in de finesses van het staatsmanschap. Op het hoogtepunt van de Roemeense revolutie liet Washington het Kremlin zelfs weten dat ze geen bezwaar had tegen een invasie van Sovjet-troepen in Roemenië.

Ten slotte hebben de Oost-Europeanen zichzelf bevrijd door eenvoudig de westerse raad in de wind te slaan. Zij ontmantelden de communistische dictaturen, ontbonden het Warschaupact en eisten de terugtrekking van de Sovjet-militairen. Elke nieuwe fase werd in het Westen als `prematuur' betiteld. Maar juist omdat de Oost-Europeanen weigerden acht te slaan op die waarschuwingen, is Europa thans een veiliger gebied. En Duitsland is herenigd omdat de Oost-Duitsers dat van meet af aan hebben geëist. Als het aan de Britten en de Fransen had gelegen, dan zou het land thans nog gestraft zijn met een gammele Oost-Duitse staat en een rancuneus mokkend West-Duitsland.

Toen de westerse regeringen inzagen dat degenen die zij als de heethoofden van de revoluties zagen zich niet lieten kalmeren, begonnen ze de Oost-Europeanen haast unaniem voor te houden hoe ze hun zaakjes op orde moesten brengen. Legers economen overspoelden de regio en preekten allen hetzelfde simpele evangelie: economische shocktherapie, met als eerste stap de onmiddellijke verkoop van alle staatseigendommen. Het geheel had iets lichtelijk belachelijks: deskundigen in de economie die trachtten vers gekozen regeringen ertoe te bewegen te snijden in de sociale zekerheid en de pensioenen – iets wat geen westers electoraat voor lief zou hebben genomen. Die boodschap werd veelal gebracht met een harteloos dédain, alsof het nodig was de Oost-Europeanen weer met mes en vork te leren eten in `beschaafd gezelschap'. Opnieuw werd het advies grotendeels in de wind geslagen. En opnieuw was het resultaat overwegend gunstig. Zo moest men in het eerste jaar na de val van de Muur in Oost-Europa tot 30 procent economische waardedaling incasseren, terwijl de meeste spaartegoeden door de inflatie werden vermorzeld. Toch waren er geen rellen en maar weinig stakingen. De eerste generatie hervormers moest halverwege de jaren '90 weliswaar het veld ruimen, maar bij de verkiezingen bleef het er vreedzaam en eerlijk aan toegaan. De regio is nog altijd armer dan de rest van Europa en toch kan ze trots zijn op wat ze tot stand heeft gebracht. Miljoenen boeren namen hun land weer in bezit en waren in staat het te bewerken; Roemenië en Polen, die destijds letterlijk verhongerden, zoeken nu afzetmarkten voor agrarische overschotten. Er moet natuurlijk nog veel meer gebeuren, maar niettemin grenst dat wat er het afgelopen decennium is teweeggebracht aan een wonder.

Intussen werd van alle doemscenario's waarvan de westerse regeringen wakker lagen nauwelijks iets bewaarheid. Toen het communisme viel, veronderstelde het Westen dat het te maken zou krijgen met hardnekkig etnisch bloedvergieten, territoriale aanspraken en wijdverbreid politiek geweld. Uiteraard werden weldra teams van deskundigen uitgezonden om de `inlanders' duidelijk te maken hoeveel belang zij hadden bij onderlinge verdraagzaamheid. Talloze westerse diplomaten spekten hun frequent flyer-tegoeden door van de ene Oost-Europese hoofdstad naar de andere te vliegen, zwaaiend met zogeheten `stabiliteitspacts' waarin landen werden geacht te beloven zich netjes te gedragen.

Interessant is dat de westerse bezorgdheid zich concentreerde op de aanzienlijke Hongaarse minderheden in Roemenië en Slowakije. Het land waarvan niemand het uiteenvallen verwachtte was nu juist Joegoslavië, dat in 1989 nog gold als het modernste, meest tolerante land in de regio. En jawel, Joegoslavië explodeerde met vreselijk bloedvergieten. Maar daar bleef het bij. Overal elders leerden minderheden een nieuw leven te leiden en hun pasverworven kiesrecht uit te toefenen; etnische Hongaren maken deel uit van regeringscoalities in Roemenië en Slowakije en etnische Turken steunen inmiddels de Bulgaarse regering. Tsjechen en Slowaken zijn met tranen in plaats van kogels gescheiden, terwijl in heel Oost-Europa de militairen zijn voorgegaan in het totstandbrengen van regionale samenwerking. Etnisch of semi-etnisch geweld is als voorheen de specialiteit van Belfast en Bilbao, niet van Bratislava of Boekarest. Ook worden de Oost-Europeanen niet geobsedeerd door oud historisch zeer. Frankrijk heeft er tientallen jaren over gedaan voor het de aanwezigheid van Duitse troepen op zijn grondgebied kon velen; de Polen, die evenzeer onder de Duitsers hebben geleden, konden dat al na enkele jaren weer.

Tot slot behandelden de Oost-Europese revoluties hun vroegere dictatoren met uitzonderlijke vergevingsgezindheid. Met uitzondering van Roemenië is er niet één communistische moordenaar geëxecuteerd; weinig zijn er berecht en maar een enkeling is gevangen gezet. West-Europa heeft meer collaborateurs gestraft na vier jaar nazi-bezetting dan Oost-Europa na vier decennia communisme.

Volgende maand komen de EU-leiders in Helsinki bijeen om de meeste landen van Midden- en Oost-Europa formeel uit te nodigen voor toetredingsonderhandelingen met als doel een volledig lidmaatschap. De laatste verschillen tussen het vroegere Oost en West zullen daarmee worden uitgewist. Maar de westerse politici die straks de totstandkoming van een nieuw Europa bezegelen, doen er goed aan enige bescheidenheid in acht te nemen. Het Europa van nu is vreedzamer dan het was, dank zij onze Oost-Europese broeders. Niet alleen hebben de Oost-Europeanen de afscheidingen in ons continent met de nagels van hun vingers gesloopt, ze hebben bovendien een pijnlijke overgang getrotseerd en zich daarbij veelal beter gedragen dan wij onder soortgelijke omstandigheden hebben gedaan. En tot slot zijn de Oost-Europeanen nog zo beleefd ons niet onder de neus te wrijven hoe bedroevend slecht geïnformeerd en dwaas we zijn geweest in 1989, toen Europa op zijn grondvesten begon te schudden.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.

    • Jonathan Eyal