Gedachten bij een feest

In het afgesloten Berlijnse villabuurtje waar de elite van de DDR heeft gewoond, is tegenwoordig een inrichting gevestigd voor Oost-Duitsers die niet aan de kapitalistische beschaving kunnen wennen. Een vrouw van een jaar of veertig werd geïnterviewd. Ze beklaagde zich over de hardheid, de kilheid, het gebrek aan solidariteit van de Westerse cultuur. In de DDR ging men anders met elkaar om.

Twee dagen voor we hier tien jaar val van de Muur hebben gevierd, stond op het Rode Plein in Moskou een menigte communisten die met rode vlaggen, sikkel en hamer, de 82ste verjaardag van de grote Oktoberrevolutie herdachten. Met spijt over de nederlaag, vast en zeker. Maar misschien ook wel met verlangen naar een maatschappij die voor zeer velen eenvoudiger, comfortabeler en – hoe merkwaardig dat ook voor de westerse individualist mag klinken – vriendelijker was dan deze kapitalistische van de gemaximaliseerde vrije markt.

De wereld van het communisme was in westerse ogen uitsluitend die van de dictatuur, de geheime politie, de steeds meer haperende commando-economie, schaarste, armoede, samengevat het Rijk van het kwaad. Zelfs de `linkse intellectuelen' die dachten er veel goeds in te kunnen ontdekken, kwamen teleurgesteld terug. Nadat de ineenstorting van het Sovjet-rijk was begonnen, hield het Westen zich erop voorbereid dat jaren van aanpassing en hulp nodig zouden zijn om de overgang naar de vrije economie goed te doen verlopen. Wie toen zou hebben voorspeld dat nu zovelen heimwee zouden hebben naar die reusachtige politieke gevangenis, was waarschijnlijk weggehoond. Het is trouwens door niemand voorzien. Achteraf valt er, voor wie oorlog en bezetting hebben meegemaakt, iets van te begrijpen. Zij weten dat in deze vijf jaar een zekere saamhorigheid heeft geheerst die met de bevrijding verloren is gegaan. Degenen die er ontvankelijk voor waren, denken er met een zekere dierbaarheid aan terug. Maar zulke theoretische heimwee naar de oorlogsjaren is iets anders dan naar de oorlog zelf te verlangen.

De communistisch genoemde maatschappij zoals die na de oorlog tientallen jaren in de Sovjet-Unie heeft bestaan, had twee attracties. De eerste bestond uit de verzorgingsstaat die zo omvattend was dat de burgers – als alles functioneerde - werkelijk van allerlei zorg bevrijd waren, mits ze zich volgens de voorschriften gedroegen. Dit verklaart hoe het komt dat de massa's die erop vertrouwden, na het politiek en economisch failliet tot radeloosheid vervielen. Tallozen van de oudere generaties komen er nooit overheen. Hoe verder de zeden en gewoonten van het kapitalisme zich verbreiden, hoe minder weerbaar ze worden.

De staatsvoorzieningen van toen bestaan niet meer. Wat overblijft is de onvoorstelbare desorganisatie, en het gewapende roverskapitalisme van de mafia.

De tweede attractie was de culturele. Niet in overeenstemming met de bedoelingen van de revolutie had de Sovjet-Unie op den duur het aanzien gegeven aan een burgerlijk, zelfs een kleinburgerlijk conservatisme, in de omgangsvormen en de traagheid van het openbare leven, vermaak en kunstgenot, en van wandversiering tot vloerbedekking. Had de bezoeker uit het Westen alle rompslomp van de grens achter de rug, dan kon hij zich in mening opzicht in de jaren '50 wanen. De terugkeer in het Westen uit dit merkwaardig openlucht museum, in het bijzonder via West-Berlijn, `de etalage van de vrije wereld', was een overrompeling, zeker in de nadagen van het Sovjet-rijk toen hier de vrije markt al wortel had geschoten (hoewel we dat toen nog niet zo duidelijk beseften).

In de tien jaar na de val van de Muur zijn niet alleen de verzorgingsstaat en dit onbedoeld bolwerk van oude burgerlijkheid weggevaagd. In een bepaald opzicht - als we de werkelijke bevrijding van het Sovjet-blok uit de dictatuur buiten beschouwing laten – is er een verre gelijkenis met wat sindsdien het Westen door de mondialisering, de vrije markt en de economische vooruitgang is overkomen. Traditionele politieke organisaties, de partijen, de vakverenigingen, raken in een toestand van verkommering. Privatisering van overheidsbedrijven doet de macht van de staat afnemen. De `nieuwe mens' wordt geboren, niet uit zonnegloren en een zucht van de ziedende zee, maar uit de blauwe glans van het beeldscherm en de Microsoft Soundwave, onderbroken door de kreten die van de beursvloer opstijgen, en zijn muze zit in de koerslijsten.

Poëzie terzijde, als er al een `nieuwe mens' uit dit eerste decennium na de Koude Oorlog tevoorschijn komt, dan is het iemand die niet geneigd is om zich voor welk doel dan ook te organiseren of dat te laten doen. Daardoor raken de organiserende instituten in verval. Het is niet zo dat ze hun aantrekkingskracht verliezen (en dit tekort proberen goed te maken met behulp van evenementen, verkleedpartijen en bal na). De klandizie sterft uit omdat de noodzaak van het aanbod niet meer wordt gevoeld. De politieke organisaties van voor 1990 ontleenden op een of andere manier, hoe dan ook hun kracht aan een toestand van schaarste. Intussen is een nog steeds groeiend aantal werkenden nu alleen economisch georganiseerd in de duizenden ondernemingen die blijven bestaan dankzij hun groei. De `nieuwe economie' waaraan door haar profeten de eeuwige expansie wordt toegeschreven, doet de politiek georganiseerde individuen met hun onderlinge saamhorigheid verdwijnen. Ook dat is een fragmentarisering van de maatschappij.

Door aan de ene kant het overdonderend succes van de vrije markt in het Westen, en aan de andere de durende stagnatie bij de voormalige supermacht, wordt de onderlinge afstand iedere dag groter. Hier wordt de macht van de staat aangetast door het primaat van de economie, terwijl de politieke organisaties afkalven in de steeds toenemende welvaart. Daar verdwijnt de staat in corruptie en chaos, terwijl de toestand van de economie de burgers zonder hoop laat. Ook dat is een diepe tegenstelling binnen Europa, en een heel ander heden dan we tien jaar geleden hadden voorzien.

    • H.J.A. Hofland