De crisismanager

MICHEL CAMDESSUS, de directeur van het Internationale Monetaire Fonds (IMF), heeft aangekondigd te zullen opstappen. Na dertien tropenjaren aan het hoofd van de monetaire mobiele brigade heeft Camdessus persoonlijke omstandigheden aangevoerd om zijn derde ambtstermijn niet tot 2001 uit te dienen.

Camdessus is crisismanager geweest in een tijd van permanente internationale financiële schokken. Toen hij aantrad in 1986, na een bitter benoemingsgevecht met de toenmalige Nederlandse minister van Financiën Onno Ruding, had het IMF net de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis achter de rug. Vanaf eind 1989 traden de landen van het voormalige Sovjet-blok in snel tempo toe als leden. Sindsdien speelt het IMF een sleutelrol in de pogingen om de uitgeputte commando-economieën om te vormen tot functionerende markteconomieën. Na de zoveelste Mexico-crisis (1994-'95) volgde in 1997-'98 de financiële ineenstorting van Zuidoost- en Oost-Azië. Rusland ging zomer vorig jaar bankroet, Brazilië devalueerde begin dit jaar. In tientallen andere landen heeft het IMF steunprogramma's lopen.

Onder Camdessus is het IMF uitgegroeid van een monetaire instelling tot een soort financiële supermarkt. Het aantal `loketten' waar probleemlanden terecht kunnen is toegenomen. Het IMF houdt zich niet meer uitsluitend bezig met kortlopende betalingsbalanssteun en wisselkoersstabilisatie. Naast de standaardprogramma's van financiële steun op basis van economische aanpassingsprogramma's verleent het IMF langlopende gesubsidieerde kredieten en schuldkwijtschelding aan de armste ontwikkelingslanden. Verder houdt het zich bezig met hervormingen van de financiële sector, programma's voor ex-communistische landen, technische trainingen, jaarlijkse doorlichting van het beleid van de lidstaten en gerenommeerd economisch onderzoek.

ALS BEWINDVOERDER van failliete landen is het IMF gewend aan kritiek. De afgelopen jaren is deze kritiek toegenomen naar aanleiding van de manier waarop het IMF de Aziatische crisis heeft aangepakt en waarop het steun aan Rusland heeft verleend. Hoewel het Fonds in Azië zijn beleid heeft aangepast en de landen zich daar nu herstellen, is er in de beginfase schade aangericht die voorkomen had kunnen worden. In Rusland – massale kapitaalvlucht en onderzoek naar misbruik van IMF-gelden – is het ondubbelzinnig dat het IMF te lang steun heeft gegeven.

Dit is een gevolg van de politisering die het IMF onder Camdessus heeft doorgemaakt. Voor strategische landen – Rusland, Indonesië, Zuid-Korea, Brazilië, Mexico – is dit Fonds de uitvoerende arm van de Groep van Zeven belangrijkste industrielanden en in het bijzonder van het Amerikaanse ministerie van Financiën. Naarmate de inzet groter werd, nam ook de omvang van de steunprogramma's toe. Camdessus heeft leiding gegeven aan de turbulentste periode uit de geschiedenis van het IMF. Onder lastige omstandigheden heeft het IMF de rol van institutionele toeverlaat voor probleemlanden behouden. Zo'n crisisbestrijder, de laatste pomp voor het ravijn, blijft in de toekomst van het geliberaliseerde kapitalisme hard nodig.