China wil inhaalslag kenniseconomie

Volgens China's president Jiang Zemin zal de Chinese kenniseconomie zich binnen twintig jaar kunnen meten met die in de Verenigde Staten. Critici zeggen: met slogans kom je er niet.

Het rode spandoek dat over de hele breedte van de straat hangt, schept verwachtingen. `Chinezen, hoe lang hebt U nog te gaan tot het informatietijdperk?' staat er in witte karakters. `Nog 150 meter', luidt het antwoord eronder. Een paar minuten lopen dus. Daarna begint een reeks reclames die vooral leert dat het buitenland heer en meester is in de ontluikende hightech-industrie van China. Maar dat gaat veranderen, zeggen de Chinese politici en de krantenkoppen van de staatsmedia. Nog even en dan staat China vooraan in het informatietijdperk, is de boodschap.

In Zhongguancun, het Silicon Valley van China, laat geen techneut zich haasten door de opgeblazen doelstellingen van de regering. Ze zijn met slogans grootgebracht, dus luistert niemand er naar. Hun commentaar: te veel `guan': de bureaucraten die in de traditie van de staatsgeplande economie met vaste hand en slogans de ontwikkeling van China tot een hoog-technologische economie willen bewerkstelligen. ,,Wat wij nodig hebben is geld'', zegt econoom Wu Jinglian. ,,Dan kunnen we aan het werk.''

China heeft zijn zinnen gezet op de ontwikkeling van een `kenniseconomie'. Kennis brengt rijkdom, weet iedere partijbureaucraat. ,,Als we zelf niet in staat zijn om autonoom te creëren en innoveren, en afhankelijk blijven van technologieën uit het buitenland, dan zullen we altijd een land blijven dat achter is op anderen.'' Het zijn de woorden van president Jiang Zemin. Voor een politicus die tevens aan het hoofd staat van de communistische partij is dat een opmerkelijke vaststelling. Want het is misschien voor het eerst in een millennium dat de leiders van het land een beroep doen op de jonge generatie om niet langer conformistisch te denken. Integendeel zij moeten nu creatief en origineel zijn. ,,Creativiteit is de ziel en de motor van onze nationale vooruitgang'', heeft Jiang gezegd, de man die in China bekend staat als uitgesproken oncreatief.

Volgens propagandabaas Kou Zuopeng van de overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor de projectontwikkeling in het gebied is het aanwakkeren van die creativiteit heel wel mogelijk in een land waar de partij en niet de ingenieurs zelf de technologische ontwikkelingen bepalen. De hoop en toeverlaat voor de natie ligt in Zhongguangcun [spreek uit dzjoeng-kwan-tsoen], het universiteitsgebied in het noordwesten van de Chinese hoofdstad. Daar zijn 's lands belangrijkste onderzoeksinstellingen gevestigd, in totaal 68 instituten, waar jaarlijks 300.000 studenten worden geschoold in technische vakken. De plannen die de regering voor dit gebied heeft uitgedokterd liegen er niet om.

Kou vertelt dat tussen nu en 2010 op de plaats die nu nog wordt ingenomen door talloze kleine electronica winkels en grijze, vervallen woonblokken, een reusachtig wetenschapspark zal verrijzen dat, volgens de inmiddels vertrouwde strijdkreten van de propaganda, één en alleen zal zijn in de wereld der supertechnologie.

Kritische geesten vragen zich in stilte af wie het wetenschapspark met zijn identieke modernistische gebouwen moet gaan bevolken. Want een superinfrastructuur garandeert in China geen supercommercieel en hoog technologisch talent. ,,Zhongguancun lijkt nog het meeste op een boerenmarkt'', schrijft IT-journalist Hu Yong in het Chinese blad Shenghuo (Het leven). Nog geen 10 procent van de activiteit in het district zou gericht zijn op onderzoek en ontwikkeling, de rest zou bestaan uit louter handel. En wat er verkocht wordt, schrijft Hu, is vooral piratengoed; illegale kopieën van cd's, softwareprogramma's, en zelfs valse identiteitskaarten en universiteitsbullen. ,,Met het Amerikaanse Silicon Valley heeft het niets te maken'', zegt Hu.

Een blik op de cijfers vertelt hetzelfde verhaal. Maar liefst 99 procent van de hightech goederen die in Zhongguancun worden verkocht, zijn afkomstig uit het buitenland. Lianshang, China's grootste computerproducent, moet voor elke computer die het op de markt brengt tot bijna tachtig procent aan componenten importeren. En Hu Yong stelt dat de gezamenlijke omzet van de pakweg 4.000 ondernemingen in het district slechts een veertigste is (10 miljard gulden) van hetgeen de 8.000 belangrijkste bedrijven in het Amerikaanse Silicon Valley verhandelen. Dat alles is geen verrassing natuurlijk, want China komt van ver. En het is duidelijk dat de huidige generatie Chinese leiders, die vrijwel allen een technische studie in de voormalige Sovjet-Unie hebben voltooid, iets goed willen maken met China's intellectuele klasse. Jiang Zemins voorgangers Deng Xiaoping en Mao Zedong hadden beiden weinig respect voor China's intelligentsia. Zonder twijfel omdat geen van beiden een behoorlijke scholing achter de rug had. Mao wantrouwde intellectuelen als de pest. Hij stuurde miljoenen van hen jarenlang met een schop in de hand naar de rijstvelden om te leren van de boeren. Boekenwijsheid, aldus Mao, was dodelijk voor de revolutionaire strijdvaardigheid. Dat China desondanks in staat bleek begin jaren `60 een atoombom te maken en later satellieten per raket in een baan om de aarde wist te brengen, was hoofdzakelijk te danken aan de vaderlandse getrouwheid van Chinese remigranten: de overzeese intellectuelen die terugkeerden om het moederland van dienst te zijn. Tegenwoordig is de trend omgekeerd, en het aantal studenten en volleerde technocraten dat China liefst permanent verlaat, is zo groot dat de Chinese regering de noodklok heeft geluid. De reden van de braindrain: de lage lonen, een slechte werksfeer en het ontbreken van aantrekkelijke carrièrekansen. ,,Staatsbedrijven'', schreef het Volksdagblad onlangs, ,,zijn zeer verontrust over het massale vertrek van China's beste talent.'' In Zhongguancun liggen ze er wakker van. ,,Wij blijven achter met de middelmaat'', zegt natuurkundige Gan Cijian van China's prestigieuze Universiteit van Peking.

Durfallen roepen dat China zijn politiek systeem moet veranderen. Dan, zo voorspellen zij, gebeurt hetzelfde als in Taiwan. Want pas toen daar eind jaren tachtig een einde kwam aan de eenpartijdictatuur van de Kuomintang, stroomden Taiwans overzeese intellectuelen terug naar het eiland en kwam de hightech ontwikkelingszone Hsinchu tot bloei. De Chinese studentenopstand in 1989 en de hoge intellectuele vlucht na het neerslaan van die opstand, zou zich dan alsnog ten gelde maken.

Maar voorlopig is van hervormingen geen sprake in China en de technische vakgroepen in het universiteitsdistrict van Peking klagen steen en been over de almachtige en remmende hand van de regering. De Chinese politiek mag dan hoog opgeven over de belangen die zij hecht aan de ontwikkeling van de wetenschap – deze maand had een grote hightech beurs plaats in het Zuid-Chinese Shenzhen en de ASEM (Asia Europe Meeting) die twee weken geleden samen kwam in Peking had evenenees de wetenschap en technologie als thema – maar in het veld voelt geen Chinese intellectueel zich gesteund. De staat bepaalt de onderzoeksthema's. ,,Vanzelfsprekend'', zegt propagandabaas Kou, ,,want wij betalen hun boterham'', en dus voelt niemand zich geroepen om zich te verdiepen in de behoefte van de markt. Hightech bedrijven, vaak deels in handen van de staat, verkeren in onzekerheid over wie de winst toebehoort en zijn gedemotiveerd omdat het leeuwendeel in de staatskas verdwijnt.

De Chinese media geven de schuld van de trage ontwikkelingsgang aan het buitenland. De Economic Information Daily meldde vorige maand dat China de wereld in de afgelopen 14 jaar maar liefst 110.000 uitvindingen ,,heeft cadeau gegeven'' zonder er maar één cent voor terug te hebben gekregen. Gezien China twijfelachtige reputatie op het gebied van de boekhoudkunst een onwaarschijnlijke vaststelling. Maar de krant volhardt dat het buitenland moet ophouden ,,met het inpikken van geniale ideeën'', voordat China er patent op heeft aangevraagd. De wereld is gewaarschuwd.

    • Floris-Jan van Luyn