White men can't jump

`Neuk jou, man!' `Nee oetlul, neuk jóu!' Zou de Nederlandse film internationaal meer publiek trekken als, zeg, Huub Stapel en Danny de Munk elkaar twee uur lang zo zouden uitschelden? Je kunt het je haast niet voorstellen. En toch is uitschelden, basaal uitschelden, de brandstof voor de meeste Amerikaanse komische films van nu. Dick dick dick dick dick. Hahaha.

Dat schelden grappig kan zijn, staat buiten kijf. Denk aan die prachtige scheldpartij uit Monty Python's Holy Grail, van een Franse soldaat tegen koning Arthur: ,,Je moeder was een hamster en je vader rook naar vlierbessen.'' Of die van drill instructor Hartman in het eerste deel van Full Metal Jacket, een explosief mengsel van humor en sadisme: ,,Soldaat Pyle, ik geef je drie seconden, drie kut-seconden om die stupide grijns van je gezicht te halen, anders lepel ik je oogbal uit zijn kas en schedel-neuk ik jou.''

Maar het meerendeel is doorsnee Eddie Murphy. Fuck fuck fuck fuck fuck. Wat Woody Harrelson en vooral Wesley Snipes laten horen in White men can't jump zit ertussenin. Het is beslist minder indrukwekkend dan Monty Python, al doen ze een poging tot originaliteit. Maar veel verder dan `je moeder heeft grijze bakkebaarden' komen ze niet, briljant wordt het nooit en daarmee is het komieke van deze film wel samengevat.

Toch, de regisseur is niet voor niks Ron Shelton. Die heeft bijvoorbeeld Bull Durham gemaakt en The great white hype, films waarin sport (respectievelijk honkbal en boksen) niet de gebruikelijke heroïsche achtergrond is, maar waarin alle ruimte wordt gegeven aan de bijzondere psychologie van volwassenen die zich actief of passief met sport bezighouden.

Op de lokale basketbalpleintjes van White men can't jump kom je dan ook geen buurtkinderen tegen, alleen volwassen mannen die in ad hoc georganiseerde partijtjes hun krachten meten - en er hun geld mee verdienen. Het geheel wordt omgeven door bluf (vandaar de scheldpartijen) en valsspelerij.

Wat Shelton er aan verhaal in heeft willen weven, is niet erg geslaagd; vooral doordat de film nooit heel erg komisch wordt. Dat hij op een lichte manier het wederzijds racisme van zwart en wit aan de orde stelt, valt misschien te prijzen; erg onthullend is het niet.

Maar die wonderlijke setting van het speelplein als kantoor en slagveld tegelijk, die maakt White men can't jump intrigender dan de eerste de beste damned damned damned damned damned lollige film.

White Men can't jump (Ron Shelton, VS, 1992), Fox, 21.30-23.30u.

    • Bas Blokker