Oosten vecht om toegang EU

Volgende maand nodigt de Europese Unie zes nieuwe kandidaat-landen uit voor onderhandelingen over toetreding. Vooral de Oost-Europese kandidaten moeten een zware slag leveren om te voldoen aan de strenge EU-normen.

Veel landen die in de rij staan voor toetreding tot de Europese Unie moeten nog een taai gevecht leveren om aan de financiële en economische voorwaarden die daarvoor gelden, te voldoen.

Barrières als grote overheidstekorten en een hoge inflatie spelen sommige kandidaat-landen parten. Maar de sterksten in de race om tot het beloofde land te gaan behoren, zijn ervan overtuigd dat ze de criteria van Maastricht voor de Economische en Monetaire Unie (EMU) tegen 2005 kunnen halen.

Twee kandidaten, Cyprus en Malta, voldoen zelfs al aan de voorwaarden voor een markteconomie met ruime concurrentiemogelijkheden. Maar andere, zoals Bulgarije en Roemenië, hebben nog een lange weg te gaan met liberalisering en hervorming van hun economieën, laat staan om de harde Brusselse criteria voor het begrotingsbeleid en de wisselkoersen te halen.

Op de topconferentie van staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie die volgende maand in de Finse hoofdstad Helsinki wordt gehouden, staat verdere uitbreiding van de unie hoog op de agenda. Verwacht wordt dat het aantal kandidaat-landen waarmee de Unie gesprekken over toetreding voert, zal verdubbelen tot 12.

De overheden staan al jaren voor een uiterst moeilijke opgave. Matiging van uitgaven en verbetering van belastinginning zijn onpopulair bij de kiezers, zeker als er onvoldoende economische groei tegenover staat die voor verbetering van leefomstandigheden kan zorgen. Nog meer financiële offers dreigen de scepsis tegenover de EU aan te wakkeren.

Bulgarije, Roemenië, Letland, Malta, Slowakije en Litouwen staan `in de wacht' voor de toetredingsonderhandelingen. Met Tsjechië, Hongarije, Slovenië, Estland en Cyprus lopen die gesprekken al. Volgens de Hongaarse minister van Financiën Szigmond Jarai behoren zijn land, de Tsjechische republiek, Estland, Polen en Slovenië tot een kopgroep die goede vorderingen maakt om de criteria voor toetreding te halen. Het gaat daarbij om dezelfde doelen die de bestaande EU-leden zichzelf in 1997 stelden voor deelneming aan de EMU:

een gemiddelde inflatie over 12 maanden die niet hoger uitkomt dan 1,5 procent van het gemiddelde in de drie EU-landen met de laagste inflatie;

het financieringstekort moet beneden de 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) liggen

de staatsschuld mag niet hoger zijn dan 60 procent van het bbp, of dat cijfer dicht benaderen.

,,De inflatie daalt in elk van de vijf leden van de kopgroep, en de begrotingstekorten zijn in evenwicht'', verklaarde minister Jarai onlangs na een vergadering met zijn collega's. Hongarije's financieringstekort komt dit jaar op 4 procent van het bbp. Het land hoopt enkele jaren na toetreding tot de EU ook klaar te zijn om aan de EMU mee te doen.

De Europese Commisssie temperde dit Hongaarse optimisme vorige maand enigszins, door de kandidaten duidelijk te maken dat ze zichzelf niet in een economisch keurslijf moeten dwingen om de EU-normen maar snel te halen, als dat ten koste gaat van investeringen voor modernisering van hun economieën.

In veel van de kandidaatlanden geldt de combinatie ,,kleine staat, lage inflatie''. Cyprus bijvoorbeeld, kent dit jaar een gemiddelde geldontwaarding van slechts 1,5 procent en in de Baltische republieken varieert het cijfer van 0,2 tot 2,5 procent. Maar Hongarije kampt nog met een inflatie van 10,9 procent en Polen met 8 procent. In Roemenië beliep het 12-maands-cijfer voor inflatie in september zelfs 50,2 procent. Hongarije en Polen zijn er beide van overtuigd dat ze de inflatie tot een acceptabel niveau kunnen terugdringen tegen het van jaar van toetreding: rond 2003. ,,Het zal circa drie tot vier jaar vergen om wat dit betreft het Maastricht-criterium te halen'', zegt de Poolse minister van Financiën Leszek Balcerowicsz.

Zijn Hongaarse collega Jarai denkt dat zijn land de forint na 2001 kan koppelen aan de euro, waardoor de inflatie verlaagd wordt tot 4 à 5 procent. In 2004 zou de forint ingeruild worden voor de euro als de officiële munt.

Begrotingstekorten lijken echter moeilijker in het gareel te krijgen, vooral voor de zes landen die volgend jaar beginnen met de toetredingsonderhandelingen. Ook de groep van zes die daaraan al is begonnen kent haar zwarte schapen.

De Europese Commissie heeft de Tsjechische regering gewaarschuwd dat er voor dit land ,,een harde noodzaak'' bestaat om het tekort te verlagen tot drie procent van het bnp in de periode 2002 tot 2005. Zonder ingrijpende beleidshervorming zou het tekort boven de 5 procent blijven, zelfs bij een hoge economische groei. Tsjechië boekte in het tweede halfjaar een groei van 0,3 procent, tegen een krimp van 2,3 procent over heel 1998.

Hongarije is goed op weg om nog dit jaar het doel van een begrotingstekort van 4 procent van het bbp te halen. Vorig jaar haalde dit land een economische groei van 5,1 procent en voor 1999 wordt 5 procent verwacht.

Petras Aushtrevichius, hoofd van de Litouwse commissie voor Europese zaken, zegt dat zijn land dit jaar ,,een onacceptabel hoog'' begrotingstekort heeft, mede door een daling van het bnp met 4,8 procent in het eerste halfjaar van 1999. Roemenië verwacht dit jaar nog een daling van het bbp met 3,5 procent na een teruggang van 7,3 procent in 1998 en een krimp van 6,9 procent in 1997. Het begrotingstekort van Roemenië zal volgens de huidige ramingen over 1999 meer dan 4 procent bedragen.

De oorzaken voor de grote tekorten in Oost-Europa baren `Brussel' nog forse zorgen: ze lopen uiteen van corruptie, inefficiënte systemen voor gezondheidszorg en pensioenen tot trage voortgang met privatisering en ondeugdelijke belastingswetgeving.

Slowakije kampt met een tekort dat door het Internationaal Monetair Fonds op 4,4 procent wordt geraamd en een inflatie van 15 procent over het hele jaar, terwijl de groei van het bnp naar verwachting toeneemt met 2 procent. Ook Cyprus maakt zich ernstige zorgen over het overheidstekort, dat eind dit jaar zal oplopen tot zo'n 5,6 procent van het bnp. (Reuters)