Mentaliteit

In 1934, toen het Nederlands elftal een duidelijke bloeiperiode doormaakte en zich op grandioze manier had geplaatst voor de eindronden van het wereldkampioenschap in Italië, verloor de Oranje-ploeg met 5-4 van Frankrijk. In Amsterdam, na met 3-0 te hebben voor gestaan. Dat was een ijskoude douche, die totaal niet paste in de tot dan voortreffelijke voorbereiding. Natuurlijk waren er excuses. Spil Anderiesen was geblesseerd en zijn vervanger, de NOAD-speler Oprinsen, was een debutant. Ook linksbuiten Mijnders ontbrak. Voor hem speelde de KFC'er Mol, die bovendien verdienstelijk accordeon kon spelen, wat later op reis naar het Comomeer nog leuk van pas kwam. Maar hij was een mindere vleugelspeler dan Mijnders, Van Nelle of Van Gelder. Niettemin was de sfeer tevoren optimistisch geweest. Op de elftalfoto staat mental-coach Lotsi met de armen joviaal rond de schouders van rechtshalf Pellikaan en keeper Keizer geslagen, bijna alle spelers stralen glimlachend zelfvertrouwen uit en ook de Engelse trainer Glendenning zegt hoorbaar ja tegen het leven. En dan toch die 4-5 eindstand na die 3-0 voorsprong. Hoe bestond het?

Eigenlijk was het antwoord simpel: men was niet scherp. Zolang het op rolletjes liep, leek er geen vuiltje aan de lucht: 1-0 (Vente) na vier minuten, 2-0 (Bakhuys) na zeven minuten, 3-0 (Bakhuys) na dertien minuten. Maar daarna ging het mis en in de tweede helft (4-4) kwam er geen enkel Nederlands doelpunt meer bij. Achteraf zei men, dat die wedstrijd beter niet gespeeld had kunnen worden. Maar contract was contract, ook in de jaren dertig. Oververmoeid konden onze internationals niet zijn. De Europa Cup bestond nog niet en van de Champions League had nog niemand ooit vernomen. Maar men keek uit naar het WK en zo'n oefenpotje, zeventien dagen voor de grote match in Milaan tegen de Zwitsers, werkte niet als stimulans. Vermoedelijk werkte het in negatieve zin zelfs door op het WK.

Ik wil die afgang tegen de Fransen niet vergelijken met de nederlagen van Ajax tegen Hapoel en van PSV contra NEC. Hoewel het verleidelijk is om het wel te doen. Maar ook daar mankeerde het aan mentaliteit. Met name Ajax leverde een gigantische wanprestatie en beperkte zich tot sierlijk-uitziende aanvallen, uitgevoerd in veteranentempo, hoewel er – mee door de vloed van blessures – een jeugdige ploeg in het veld stond. Toch kwam Ajax een ronde verder, al zou je als supporter bijna het UEFA-bestuur willen vragen om deze 0-1 te veranderen in 0-4 vanwege gebrek aan interesse. En voor PSV geldt zo ongeveer hetzelfde. Tot nu toe was de kreet over PSV dat men internationaal tekort komt, maar nationaal superieur speelt. Het is de vraag, of dat oordeel nog overeind kan blijven.

Over beide wedstrijden bleef een geur hangen die van minachting jegens het publiek sprak. Grote sponsors interesseren de spelers nog wel enigszins, maar de gewone supporter kan de bietenbrug op. Miljonairs hebben doorgaans weinig contact met putjescheppers. Die tijd ligt achter hen. Ik kan slechts één min of meer geldig excuus bedenken voor deze jammerlijke gang van zaken: de heren spelen té veel wedstrijden in té korte tijd.

Het was een aantal jaren geleden bon ton om te roepen dat voetballers kinderachtige papkereltjes waren, die al klaagden als ze een keer twee wedstrijden in dezelfde week moesten verwerken. Destijds was die kritiek niet zonder reden. Maar tegenwoordig hollen de cracks (de hele en de halve) van evenement naar evenement. Blessures krijgen nauwelijks kans om te genezen en al zijn de lichamen fit, dan protesteert de geest. Want sinds journalist/sportschrijver Joris van den Bergh weten we dat het niet alleen om de spier gaat, maar vooral om de kapitein van de spier. Massale, niets ontziende geldjacht is oorzaak van de overbelasting van menig speler. Keert uiteindelijk de wal het schip of wordt men binnenkort verstandig?

    • Herman Kuiphof