Jorritsma: meer uren aan het werk

Te veel ouderen, allochtonen, vrouwen en lager opgeleiden nemen geen deel aan de arbeidsmarkt. Om het tekort op de arbeidsmarkt op te lossen moeten die groepen actief bij het arbeidsproces betrokken worden en moeten Nederlanders in het algemeen meer uren gaan werken.

Dat zei minister Jorritsma (Economische Zaken) gisteren bij de presentatie van de Concurrentietoets 2000. ,,Alles wijst erop dat we de bodem beginnen te naderen van het potentieel aan direct inzetbare arbeidskrachten'', aldus Jorritsma. ,,Nederland rijdt met een aangetrokken handrem. Die handrem wil ik er de komende jaren afhalen.'' De toets is een vergelijking met een aantal economisch goed presterende landen als Duitsland, Denemarken, Japan en België.

Om de achterstand in te lopen wil Jorritsma meer `financiële prikkels' bieden om de arbeidsparticipatie van deze groepen te verhogen. Zij stelt voor het verschil tussen lonen en uitkeringen te vergroten om werk, zowel voor toetreders als uittreders, aantrekkelijker te maken. De minister dringt er daarom bij de sociale partners op aan zo snel mogelijk de VUT-regeling om te zetten in individuele, flexibele pensioenregelingen.

In Nederland werkt slechts 33 procent van de ouderen tussen de 55 en de 64 jaar. In Noorwegen en Zweden is dat 65 procent. In Denemarken ruim 50. Alleen België scoort met 23 procent nog slechter dan Nederland. Met 1365 uren per jaar werken Nederlandse werknemers het minst van alle in de toets opgenomen landen. In de VS werken mensen gemiddeld 1957 uur per jaar.

De werkloosheid onder allochtonen is drie keer hoger dan onder autochtonen. In landen als Duitsland en Engeland is dat twee keer zo hoog. De taalachterstand is de belangrijkste oorzaak van de slechte arbeidspositie van allochtonen. Daar komt bij dat allochtone kinderen aanzienlijk vaker voortijdig de schoolbanken verlaten dan autochtone kinderen. Ook de scholing van allochtonen verdient daarom volgens de minister extra aandacht.

Nederland scoort ook in het algemeen internationaal matig op onderwijsgebied. Het aantal leerlingen per computer (ongeveer 20) is aan de hoge kant. De uitgaven (publiek en privaat) aan onderwijs zitten met 1,25 procent van het bruto binnenlands product in de middenmoot. Een van de gevolgen van het relatief slechte onderwijsniveau van Nederland is het gebrek aan innovatiekracht van het bedrijfsleven. Uit de toets blijkt dat Nederland een kwart van de omzet haalt uit innovatieve producten. Het Europese gemiddelde ligt op 31 procent.