Het nut van levende en dode dichters

Op de omslag van De Gids staat een vraag: ,,Piepen de jongen zoals de ouden zongen?'' De jongen, dat zijn negen `jonge' (de jongste is 28, de oudste veertig) Nederlandstalige dichters, onder wie Peter van Lier, Erik Menkveld en Marc Kregting. De ouden zijn grote overleden dichters: Paul Celan, T.S. Eliot, Ezra Pound, Paul Valéry, Wallace Stevens, Paul Rodenko. De jongen publiceren gedichten in dit nummer, de ouden essays over poëzie.

De vraag die op het omslag staat is op grond van dit nummer eigenlijk niet te beantwoorden. Zullen de gedichten van Peter Theunynck bijdragen aan de eigen taal en cultuur van het Nederlandse volk, volgens T.S. Eliot het nut van poëzie? Dat staat te bezien. Zo kan ook van de krachtige aanwijzingen die Ezra Pound voor andere dichters in de aanbieding heeft, niet gemakkelijk worden vastgesteld of ze opgevolgd zijn. Hij schrijft bijvoorbeeld: ,,Ik geloof in een `absoluut ritme'in de poëzie, een metrum dat nauwkeurig overeenkomt met het gevoel of de gevoelsnuance die moet worden uitgedrukt. Iemands ritme moet interpretatief zijn, zodat het ten slotte zijn eigen, onvervalste ritme wordt.'' Zijn `eigen, onvervalste ritme' heeft een dichter na zijn eerste bundel over het algemeen wel te pakken, en sommmige dichters al in die eerste bundel. Maar of dat ritme geheel overeenkomt met de `gevoelsnuance die moet worden uitgedrukt' ik zou het niet weten als ik van René Puthaar het volgende lees: ,,Die halo om dat herdershoofd,/ die vingers die de zonneschijf/ bepotelen, die baard van vlas,/ die ongewassen jurk, en dan/ die blik, het is me wel een god.''

Paul Valéry schrijft: ,,Je kunt vrijwel niets zeggen over de poëzie wat niet ronduit overbodig is voor alle personen in wier innerlijk leven die eigenaardige macht die ernaar doet verlangen of haar voortbrengt zich manifesteert als een onverklaarbare vraag van hun wezen, ofwel als het zuiverste antwoord erop.'' Heeft hij gelijk, is voor dezulken alleen het gedicht interessant en geen gedachten erover? Lijkt me niet. In ieder geval is wat Valéry er desondanks over beweert toch interessant. Net als de pendelbewegingen die Paul Celan maakt tussen het `allereigenste' waar het gedicht van spreekt en `de zaak van iets anders' waar het tegelijkertijd, misschien, ook van zou spreken. En dan is er ook nog Wallace Stevens die zegt dat de dichter aan zijn gevoeligheid de vorm van poëzie geeft `omdat de poëzie het medium van zijn eigen gevoeligheid is'. En hij voegt daaraan toe: ,,Dit is niet hetzelfde als beweren dat de dichter poëzie schrijft omdat hij poëzie schrijft, hoewel het er verdacht veel op lijkt.''

Een lezer die uit dit alles heldere conclusies weet te trekkken is knap. En een lezer die niet het gevoel krijgt dat hij door de vele vragen en veronderstellingen wijzer geworden is over poëzie – dat is misschien degene op wie Valéry doelde, degene voor wie alles al overbodig is. Voor mij was het dat niet in ieder geval.

Het opmerkelijkste standpunt is wel dat van Eliot, die het over `De sociale functie van poëzie' heeft. Hij meent dat de bewoordingen die dichters vinden voor sommige sensaties en gevoelens, het andere mensen mogelijk maken om die gevoelens ook te hebben. En dat is volgens hem bovendien alleen mogelijk, als die gevoelens worden uitgedrukt in de eigen taal. Ook mensen die nooit poëzie lezen zullen toch van die dichterlijke bewoordingen profiteren, omdat de nieuwe, of nog niet eerder zo verwoorde gevoelens die de dichters uitdrukken, op den duur deel gaan uitmaken van de gevoeligheid van het hele volk. ,,Ik kan geen Noorse poëzie lezen, maar als ik zou vernemen dat er in die taal geen poëzie meer werd geschreven, dan zou mijn reactie verder gaan dan een bezorgd en warmhartig medeleven. Ik zou het beschouwen als het begin van een verval dat ertoe zou leiden dat de mensen nergens meer in staat zouden zijn om uitdrukking te geven aan de emoties van beschaafde wezens, en daardoor zouden ze die emoties ook niet meer kunnen voelen.''

Die emoties zijn bijvoorbeeld die van een treinreiziger die van het uitzicht geniet (`een einder met zadeldaktoren,/ de mens en zijn vee, het rode gevlinder/ van de aardaker boven het gras') en die de krant, (`de bloedbesmeurde pauw van al zijn andere/ godvergeten feiten') nog even in zijn tas laat. We kennen ze dankzij Erik Menkveld. En dankzij Eliot weten we `dat we niets aan dode dichters hebben als er geen levende dichters meer zijn'.

De Gids, jrg. 162, nr. 9/10. Uitg. Meulenhoff. Prijs f34,90

    • Marjoleine de Vos