Het land van de grote verveling

De val van de Muur luidde het einde in van een staat die gedomineerd werd door bekrompen burgerlijkheid en de kunst van de dubbele tong, meent Jens Reich.

Ik was tien jaar oud toen de DDR werd opgericht en vijftig op het moment dat zij haar laatste levensjaar inging. De terugblik op dit land is voor mij dan ook verbonden met de herinnering aan mijn jeugd, aan mijn familie, aan de tijd dat ik nog onbevangen kon wegdromen in een eindeloos lange toekomst zonder direct te denken aan lichamelijk verval en het onontkoombare einde.Ik voel bij de DDR echter geen nostalgie, maar wel een geestelijke beklemming die mij altijd heeft belast.

Vooral jonge mensen leden onder die benauwende burgerlijke bekrompenheid, ook al zouden velen toen ze volwassen waren een modus vivendi vinden die deelname aan het stilzwijgende verdrag van de DDR-maatschappij draaglijk maakte. Dit verdrag luidde als volgt: jullie gedragen je onopvallend en stellen de macht niet ter discussie; in ruil daarvoor kunnen jullie in datsja's en veilige uithoeken je gang gaan en stellen wij geen overdreven hoge eisen aan jullie prestaties.

In het onderwijs werd hooguit nog lippendienst bewezen aan socialistische idealen die verder waren opgegeven, terwijl de secundaire deugden die daarbij hoorden – discipline, orde en het inachtnemen van de `normen van het socialistisch samenleven' – met ijzeren bureaucratische vasthoudendheid en kwellende, georganiseerde verveling werden afgedwongen. Voor jonge mensen was het dan ook een enorme desillusie te ontdekken dat de antifascistische ontstaansgrond van de DDR tot een ideologische holle frase verviel. Slechts één voorbeeld: de met mijnenvelden versterkte Muur, die het land en zijn hoofdstad tot een gesloten wereld maakte, werd als `antifascistische beschermingswal' betiteld. Die benaming was zo onomstotelijk onwaarachtig dat zij zelfs het antifascisme in diskrediet bracht. Het beroep op het antifascisme provoceerde eerder tot vermoeide afwijzing of zelfs tot een actieve fascinatie voor het rechts-radicale gedachtegoed.

Latente tekenen van antisemitisme en verheerlijking van het nationaal-socialisme bestonden al ten tijde van de DDR. Toen na de Wende de ideologische zendelingen vanuit het Westen arriveerden, troffen zij bij ons dan ook een geploegde vruchtbare bodem aan. De opkomst van een gewelddadige vorm van vreemdelingenhaat reken ik tot mijn bitterste ervaringen sinds de Duitse hereniging.

Een wezenlijk deel van mijn DDR-socialisering bestond uit het aanleren van het beroemde Orwelliaanse double-speak en ook van de manier om mijn kinderen daarin op te leiden. Wat binnen de muren van ons huis werd gezegd en gedacht, strookte absoluut niet met wat wij in het openbaar toonden. Niet dat er op scholen en universiteiten voortdurend massaal gehuicheld werd – je kon je goed staande houden wanneer je je zoveel mogelijk inhield en slechts de hoognodige politieke bekentenissen aflegde. Jongeren hadden het moeilijker omdat politieke en ideologische getuigenissen als feiten geleerd en gereproduceerd moesten worden. Zo stond alles wat zij zeiden of schreven in zekere zin tussen aanhalingstekens: het marxisme-leninisme leert het volgende, en dan dreunde men een theorema op. Thuis werd vervolgens geleerd wat hiervan klopte en wat verkeerd of gelogen was, maar op school hield je daarover natuurlijk je mond. We organiseerden besloten studiebijeenkomsten over de zorgelijke ontwikkelingen van het socialisme in de Sovjet-Unie, die ons al vele jaren voor de herfst van 1989 overtuigden van de dreigende ineenstorting van dit systeem, overigens zonder dat wij daaraan acties verbonden.

Deze levenswijze verschafte ons een innerlijke geestelijke onafhankelijkheid. Pas in het laatste decennium van de DDR werd mij duidelijk dat het leven in dit geestelijk slakkenhuis – ondanks de afwijzing van het systeem – er door een zwijgend functioneren aan meehielp datzelfde systeem te stabiliseren. Dat inzicht kwam te laat en ik verwijt mezelf nu medeschuldig te zijn aan het feit dat ik veertig jaar moest worden voordat ik me uit de zelfketening losworstelde en vijftig voordat de hele maatschappij zich bevrijdde. Want de meerderheid bleef altijd passief. Vandaar ook de ongeïnteresseerdheid na de Wende.

Ik weet niet welk deel van de DDR-bevolking deze slakkenhuisstrategie volgde. Het kon immers ook anders. Maar voor de meerderheid was het te inspannend: zij gedroegen zich in hun huiselijke omgeving net zo a-politiek als in het maatschappelijk leven. Zo vermeden zij de dubbeltaal en waren ze moreel minder gespleten; maar de prijs daarvoor was volledige politieke passiviteit. Die houding heeft wezenlijk bijgedragen tot de lethargie en ongeïnteresseerdheid na 1990, toen na de wilde herfst de rust weer werd hersteld. Slechts weinigen waren verklaard tegenstander van de staat en ook nog bereid daarvoor te vechten. De meesten van hen kwamen op de een of andere manier in het Westen terecht, als zij niet aan het systeem van repressie ten onder gingen.

Een andere strategie ten tijde van de DDR was de vastberaden identificatie met het systeem, ondanks alle twijfel. Ook op die manier kon men double-speak als geesteshouding omzeilen; maar de prijs hiervoor was het onvermogen de toenemende zwakte van het regime met energieke hervormingen te lijf te gaan. Een minderheid van ongeveer 15 procent van de bevolking, die het fundamenteel eens was met de uitgangspunten van het socialisme, bracht binnen de DDR geen verandering op gang. Uiteindelijk was het de oppositie – en niet de erfgenamen van het systeem – die de omwenteling inleidde, met als resultaat de politieke ineenstorting van de totale maatschappelijke orde.

De geweldloze opstand van de bevolking in de herfst van 1989 sorteerde uiteindelijk een merkwaardig effect. We hadden veel bereikt: het opheffen van de zelfkneveling, individuele mensenrechten, de burgerlijke vrijheden van vrije meningsuiting en politieke activiteiten. Het politieke systeem van privileges en repressie was afgeschaft, net als de staatsveiligheid. Economische en ecologische hervormingen werden ingezet, het opleidingssysteem dat op bevoogding en verveling stoelde, werd opengebroken. Alle resultaten van die ongelooflijke vier maanden maakten dat ik mij in het laatste strijdbare jaar van haar bestaan alsnog met de DDR identificeerde.

Ik zou bereid zijn geweest mij in de laatste jaren voor mijn pensionering met al mijn krachten te wijden aan de hervorming en de opbouw van het land. Met publieke politieke werkzaamheden zou ik mijn persoonlijke houding en mijn maatschappelijk handelen met elkaar in overeenstemming brengen. Andrej Sacharov wellicht, of Bronislav Geremek en Adam Michnik in Polen zouden mijn voorbeelden en partners zijn geweest. Een merkwaardige voorstelling, wanneer ik mij dat achteraf realiseer. Het liep anders. `Schoenmaker blijf bij je leest!' – het werd mij soms zachtjes toegefluisterd en dan weer toegeschreeuwd. Net als het verwijt dat `jullie politicasters alleen maar rantsoenen willen aftroggelen'. Dit alles bracht mij tot het waarschijnlijk terechte, in ieder geval tactisch juiste inzicht, dat ik mij in het verenigde Duitsland moest bezinnen op dat wat ik ondanks alle beklemming en beperking van mijn leven in de DDR had geleerd: namelijk de moleculaire biologie, de computerwetenschap en de grondbeginselen van de medische wetenschap. In de DDR was het praktisch onmogelijk om op dit gebied tot topprestaties te komen; maar nu kon er veel worden ingehaald.

Met de Bondsrepubliek, waarin ik nu op mijn oude dag terechtgekomen ben, heb ik een verhouding van terughoudende sympathie ontwikkeld. Mijn leven lang droomde ik ervan in Amerika, Afrika of Azië te leven, ver weg in ieder geval van de onbeminde DDR. Nu wil ik in dit land blijven, waarvan ik een `nieuwe burger' werd.

Jens Reich is Oost-Duits burgerrechtenactivist en wetenschapper en was partijloze presidentskandidaat voor de Grünen. ©Die Zeit