Gehate Tory in Thatcherland

e mechanische virtuositeit waarmee de Britse premier John Major voor zijn ambtswoning in Downing Street zijn persverklaringen aflegde gaf me altijd het spannende gevoel dat ik zat te kijken naar een steile-wandrijder die elk ogenblik naar beneden kon storten. Zonder papier gewapend ging hij voor de microfoons staan, stak onmiddellijk van wal en liet de ene volzin na de andere volgen, die moeiteloos uit zijn mond kwam en geheel geïmproviseerd leek te zijn. Doordat hij nooit de geringste hapering vertoonde, niet één keer eh of ah zei en zelfs niet naar een woord hoefde te zoeken, voedde hij de verdenking dat hij gesouffleerd werd of van een autocue las. Maar van onzichtbare hulp was geen sprake. Zijn adembenemende act kwam van a tot z uit zijn eigen mouw. In zijn pas verschenen autobiografie (John Major. The autobiography, Harper Collins, London) is de verklaring voor dat spraakwonder te vinden. John Majors vader verdiende voordat hij naam maakte als variété-artiest (om vervolgens een kleine aannemer te worden) in zijn jonge jaren de kost met circuskunsten. De latere premier had het dus niet van een vreemde en had op jonge leeftijd al de kunst afgekeken hoe hij zijn publiek moest boeien.

Van die kleurrijke vader, die hij met grote genegenheid beschrijft, heeft hij ongetwijfeld ook zijn liefde voor de literatuur. Hij werd een hartstochtelijk lezer, die grote hoeveelheden boeken verslond en dat in steeds hoger tempo deed. Zoals hij snelspreker werd, zo werd hij ook snellezer. Die laatste specialiteit bezorgde hem in zijn politieke loopbaan en vooral in zijn functie van premier het voordeel dat zijn literaire plezier ook tijdens zijn premierschap niet zou lijden onder zijn ambtsverplichtingen, die vijf jaar lang dagelijks met een reusachtig papieren corvee gepaard gingen. Van de verplichte ambtelijke nota's las hij hinkstapsgewijs alleen selectieve porties, net zoveel als nodig was om zijn stukken te kennen. Dat verschafte hem af en toe de ruimte om ondanks stress en overvolle agenda's nog iets goeds te lezen. In gewone vakanties las hij ,,nooit minder dan een roman per dag''. Wanneer hij de klassieke Duitse filosofen doorspitte vermeldt hij niet, wel waarom. ,,Om een idee te krijgen van de denkbeelden die de nazi's onder meer aan Nietzsche ontleenden''.

Een politicus die met zulke motieven studie maakt van de politieke geschiedenis van een van de Europese bondgenoten neemt de democratie serieus. Majors beschrijving van zijn verhouding met de democratie is voor mij een van de verrassingen van dit boek: hij verschaft inzicht in zijn persoonlijke democratische wordingsgeschiedenis, maakt er fundamentele opmerkingen over en belijdt zijn voorliefde voor een oer-Brits democratisch attribuut: de zeepkist. Op de zeepkist heeft Major niet alleen tegen de wind in leren spreken, maar ook zijn meest vormende democratische ervaringen opgedaan. Voor een man van het volk is er niets mooiers dan triomfen te vieren op de zeepkist. Major gewaagt slechts in het voorbijgaan van zijn verbale triomfen, maar weidt des te meer uit over de gemeenschapsvormende kwaliteiten van de zeepkistdemocratie. Hij schrijft erover met de gepassioneerdheid van J.B. Priestley in The Good Companions. ,,In die lawaaiige massa van woelige menselijkheid heb ik mij altijd op mijn gemak gevoeld''. Zeepkistdebatten brachten hem behalve een vitale spreekvaardigheid, ook zelfvertrouwen bij en een taaie onverzettelijkheid.

Als iets in dit onderhoudende boek goed uit de verf komt is het een authentieke compassie met het gewone volk. Majors autobiografische persoonlijkheid is markanter dan de figuur die zich in het internationale publieke leven heeft doen kennen. Tegenstanders onder de gordel raken is niet zijn stijl, hij houdt er niet van op de man te spelen en hij is niet gediend van het politieke opportunisme en populisme waaraan veel van zijn collega's zich schuldig maken. Wie van cricket houdt, doet ook in de politiek niets dat `not cricket' is. Major beklaagt zich erover dat de media aan zijn denkbeelden over de Europese integratie nooit recht hebben gedaan. Dat is ongetwijfeld de schuld van de Euro-haters onder zijn partijgenoten die hem na de ondertekening van het Verdrag van Maastricht niet meer lustten en hem zoveel mogelijk zwart maakten, maar het ligt ook aan hemzelf. Uit zijn geschriften spreekt een grotere Europese gezindheid dan hij op de regeringsbanken in het Lagerhuis heeft laten blijken, maar je moet je eerst door het dichte struweel van zijn toespraken heen werken om die gezindheid en de daarachter schuilgaande langetermijnvisie te ontdekken.

Het is niet uitgesloten dat ambtelijke assistenten een deel van John Majors autobiografie hebben geschreven, maar dat kan niet veel geweest zijn. In tegenstelling tot de memoires van zijn voorgangster Margaret Thatcher bevat zijn boek daarvoor te veel oorspronkelijke inzichten en ook te veel compositorische eenheid. Bovendien is het geschreven met een animo die spookschrijvers moeilijk kunnen fingeren. De liefhebber van wetgevings- en parlementaire technieken kan zijn hart ophalen aan de beschrijving die Major van de procedurele loopgravenoorlogen in het Lagerhuis geeft. Hij spaart daarbij noch zijn eigen gespleten Conservatieve partij, noch zichzelf. Hij schrijft heel ontspannen over de steken die hij heeft laten vallen en toont ook nog een good loser te zijn. Veel minder ontspannen, maar niet ongeestig, schrijft hij over de vreemdelingenhaters in zijn eigen partij die al lang niet meer true blue Tory is, maar geïnfecteerd door yuppen die de partij in korte tijd onherkenbaar hebben veranderd. Vier maanden na hun verkiezing in het Lagerhuis, schrijft hij bijtend, ,,hebben ze al de brutaliteit om volkomen ernstig te informeren wanneer zij tot onderminister of minister worden benoemd''.

    • Harry van Wijnen