Erfenis van een Muur

NA DE BEVRIJDING in 1945 kwam de kater. Veertig jaar was Europa verdeeld tussen het vrije Westen en het socialistische kamp. Bijna dertig jaar was die scheiding fysiek zichtbaar in de Berlijnse Muur waarmee de DDR haar burgers tot veredelde gevangenen wist te degraderen. Zij die daaruit wilden vluchten, werden doodgeschoten of daadwerkelijk opgesloten. Lang leek deze status quo vanzelfsprekend. Totdat het `reëel bestaande socialisme' in de Sovjet-Unie zelf begon te verkruimelen, partijleider Gorbatsjov de bakens verzette, de burgers in Polen en andere satellietlanden van Moskou het lot weer in eigen hand begonnen te nemen en op 9 november 1989 uiteindelijk letterlijk de eerste bressen in de Muur werden geslagen. In een paar dagen tijd was het gedaan met de DDR. Een paar maanden later was de hereniging van Duitsland onafwendbaar geworden en de deling van Europa voorbij. En dat alles zonder doden. De ontmanteling van het socialistische Oosten verliep zo soepel, dat er werd gesproken van een `fluwelen revolutie'. Een `nieuwe wereldorde' leek op til, een mondiale orde waarin politieke eensgezindheid en culturele pluriformiteit de drijvende krachten moesten worden.

November 1989 was een feestelijke maand. De meer gewelddadige omverwerping van het regime-Ceausescu in Roemenië kon een maand later de vreugde nauwelijks temperen. Dat leek een `side show' in een uithoek van Europa. Temeer daar de grote mogendheden de nieuwe situatie op waarde wisten te schatten. Met name Sovjet-president Gorbatsjov onderkende dat er geen weg meer terug was. Ondersteund door zijn Amerikaanse ambtgenoot Bush realiseerde hij met bondskanselier Kohl in, relatief, moordend tempo de nieuwe Duitse eenheid en aanvaardde daarbij ook dat het verenigde land lid bleef van de NAVO. Met harde D-marken verzoende Gorbatsjov zijn minder vrijzinnige landgenoten die zich in hun patriottisme gekrenkt voelden. Vier jaar later vertrokken de laatste eenheden van het voormalige Rode Leger uit hun kazerne in Wünsdorf, van waaruit ze de DDR vier decennia lang hadden gecontroleerd.

DE DUITSERS zelf moesten intussen de hereniging verder gestalte geven. Dat nu was een minder eenvoudige opgave.

Het herstel van Berlijn was nog een betrekkelijk simpele taak. De grootste stad in het hart van Europa werd omgetoverd tot één grote bouwput en is nu ook weer de hoofdstad van het land.

Het vinden van een nieuwe politieke koers was al iets ingewikkelder. De geschiedenis vereiste behoedzaamheid, om de buurlanden en bondgenoten niet nodeloos tegen de haren te strijken. De positie van Duitsland – de grootste en economisch machtigste staat van het continent – noopte tot activiteit. In de tien jaar die sinds de val van de Muur zijn verstreken, is deze heroriëntatie merendeels in goede handen geweest. Met uitzondering van de razendsnelle en, achteraf gezien wellicht voortijdige, erkenning van Kroatië in 1991 heeft de Duitse regering niet de `Alleingang' gemaakt waarvoor de sceptici vreesden. Het herenigde Duitsland heeft zijn plaats opgeëist, maar daarvan geen misbruik gemaakt. Sterker, tien jaar na dato gaan er juist stemmen op dat Berlijn wel eens wat steviger mag optreden in internationale fora.

De binnenlandse integratie daarentegen heeft veel meer energie gekost dan voorspeld. Aan de hooggespannen verwachtingen in de DDR is niet beantwoord. Zelfs de bijna honderd miljard D-mark, die jaarlijks in de wederopbouw wordt geïnvesteerd, sorteert (nog) niet het beoogde effect. Weliswaar wil de overgrote meerderheid van de Oost-Duitsers niet terug in de tijd, maar de euforie van `Wir sind ein Volk' is verdwenen. De zogeheten `Ossies' voelen zich vaak tweederangs burgers, onderworpen aan het geld en de arrogantie van de Westerse landgenoten. Dat ressentiment uit zich in toenemende steun voor de PDS (de erfgenaam van de communistische SED) en her en der opflakkerend rechts-extremisme. Bovendien hebben zowel Oost- als West-Duitsers nog altijd moeite met het `verwerken' van de recente geschiedenis. De dubbelzinnige reacties op het vonnis tegen Egon Krenz – de laatste partijleider van de DDR die gisteren in hoger beroep tot zesenhalfjaar cel werd veroordeeld, terwijl Gorbatsjov de hoogste Duitse staatsonderscheiding kreeg – illustreren dat. Voor directe slachtoffers van de Muur is deze straf een `late genoegdoening'. Maar er zijn ook voormalige dissidenten die de celstraf voor Krenz zien als een `hulpeloze poging' om de politieke verantwoordelijkheid voor heden en verleden af te wentelen. De laatsten hebben geen ongelijk. Tien jaar na dato zijn schuld en boete niet meer afdoende om, naar het woord van Willy Brandt, te laten `samengroeien wat samen hoort'.

HET FEEST van 9 november 1989 is nu echt voorbij. Niet alleen in Duitsland, maar ook elders in het ooit verdeelde Europa. De economische, sociale en politieke hervormingen, die toen voor het grijpen leken, zijn onverhoopt veel weerbarstiger gebleken. De oorlogen in voormalig Joegoslavië hebben dat, tot schade en schande, bewezen. Zelfs de beste leerlingen van de klas (zoals Polen en Tsjechië) ontwikkelen zich trager dan de theorie veronderstelde. Om nog maar te zwijgen van Rusland, dat zich eerst in een halfslachtige `shocktherapie' en vervolgens in een financiële crisis stortte, en nu niet alleen oorlog voert in de Kaukasus maar ook immense sociale en economische problemen heeft.

West-Europa moet zich van deze keerzijde rekenschap geven. De meeste staten aan deze zijde van de Elbe wekken de indruk dat ze daartoe hooguit ten dele bereid zijn. Weliswaar is de NAVO in oostelijke richting verder uitgebreid en staan de nieuwe kandidaten voor de EU op de stoep te trappelen, maar daarmee is de boedel van veertig jaar deling niet afgehandeld. Tien jaar na de bevrijding van geheel Europa staat er veel op het spel. Vrijheid is een onbetaalbaar goed. Vrijheid is zo duur dat, na een periode van hooggespannen politieke pretenties, onverschilligheid nu haar grootste bedreiging vormt.