Berg en bedelaar op expositie in Frankfurt

Een van de mooiste musea in Duitsland is het Städelsches Kunstinstitut te Frankfurt, kortweg genoemd `het Städel'. Het is genoemd naar de vermogende bankier en koopman Städel (1728-1815), een verwoed kunstverzamelaar die zijn omvangrijke collectie liet onderbrengen in een stichting. Eind negentiende eeuw verrees aan de oever van de Main het museum. De collectie werd onder een reeks begaafde directeuren uitgebreid met aankopen en schenkingen vanuit de burgerij. Geldgebrek en het uitblijven van financiële stedelijke steun brachten het museum echter in steeds grotere problemen. De in 1994 aangetreden directeur Herbert Beck begon desondanks aan een omvangrijk renovatieproject dat 25 miljoen mark heeft gekost. Het resultaat is magnifiek. Op twee verdiepingen is de collectie op uiterst verzorgde en vanzelfsprekende wijze opgesteld. Thematisch per land en per periode, maar zonder dat van een schoolse chronologische opzet sprake is. Men valt al direct binnen in de Duitse kunst uit de jaren tien en twintig, waarbij vooral het zware Max Beckmann-accent opvalt. De Nederlandse zeventiende eeuw is voortreffelijk vertegenwoordigd, met als meest aansprekende werk de Blindmaking van Samson van Rembrandt, maar ook met Frans Hals, Terborg en de vele anderen. Zaal na zaal is een feest. De hedendaagse kunst is opvallend genoeg in het trappenhuis opgesteld.

Ter gelegenheid van de 250ste geboortedag van de in Frankfurt geboren Goethe is in het bijgebouw de tentoonstelling Mehr Licht. Europa um 1760. Die bildende Kunst der Aufklärung geopend. Het probleem met tentoonstellingen over één periode is dat er de suggestie vanuit kan gaan dat er één stijl overheersend is geweest, terwijl, zeker in de laatste twee eeuwen meerdere kunstopvattingen in stijl en thematiek naast elkaar bestonden. Zo wordt men ook hier – waar de periode 1750-1780 getoond wordt – in eerste instantie op het idee gebracht, dat het alles neo-classicisme was, wat de klok sloeg. Een sterke oriëntering op de klassieke kunst, een idealisering van de menselijke vorm, portretten waar het om beheerste waardigheid en minder om emotie en expressie gaat, verheven onderwerpen, en dat alles onder meer ingegeven door archeologische vondsten in Italië.

De tentoonstelling is geografisch ingedeeld. Alle Europese hoofdsteden - uitgezonderd Amsterdam - zijn bedacht met representatieve werken, dat wil zeggen schilderijen, beeldhouwkunst en prenten, en daar ziet men ook overal de sterke herleving van de belangstelling voor de klassieke kunst. Men nam afstand van barok en rococo. In plaats van onrust en symmetrie trad harmonie en rust in. En zo krijgt men fraaie portretsculpturen te zien van Houdon uit Parijs, Messserschmidt uit Wenen, bij wie vooral de overgang van het geïdealiseerde traditionele portret naar de groteske koppen interessant is. Een nieuw thema was de natuur, dat wil zeggen het sublieme daarin. Er hangen schilderijen die de Vesuvius in volle werking laten zien, maar dat was al eerder een onderwerp. Echt nieuw was de ontdekking van het Zwitserse landschap dat associaties opriep met vrijheid en niet te vergeten ruimte en frisse lucht. Vooal gletschers vormden een geliefd thema: machtige ijsmassa's die zich een weg naar beneden wringen, waarbij de mens is gereduceerd tot een nietig schepsel.

Toch is het beslist niet zo dat alles in Europa naar `het verhevene' neigde. In Madrid schilderde Luis Meléndez zijn fabelachtige `bezielde' stillevens. In Rome schiep Piranesi zijn hallucinerende, architectonische composities, in Londen werkte Stubbs aan zijn geraffineerde studies van paarden en het was ook daar dat Gainsborough afstand nam van de in 1768 opgerichte Royal Academy en als een verre opvolger van Anthony van Dijck zijn majestueuze portretten schilderde. Na alle koele sculptuur en verantwoorde historiestukken is het een schok om ineens oog in oog te staan met het uit 1768 daterende portret van lady Isabella Molyneux in haar zilverkleurige `robe'. Als ruisend satijn een dreun kan verkopen dan is het hier wel. Even later sta je `in Madrid' tegenover een meer dan levensgroot portret van een Spaanse architect door Goya: een wat bijziende heer met een vreemde blik. Waarschijnlijk is het zo geschilderd dat hij niet de toeschouwer aankijkt, maar dat hij staart naar zijn eigen beeld in een spiegel.

Onder de werken uit Sint Petersburg valt een verrassende dissonant op. De Russische schilder Jermenew tekende een voor die dagen behoorlijk onorthodox onderwerp: een serie van Russische bedelaars. Die bevolkten volgens contemporaine berichten overal de wegen en stierven in de winter bij bosjes. Toch moet men hierin niet een aanklacht zien. Het mag dan wel de periode van de Verlichting zijn, de bekommernis om de verworpenenen der aarde was niet universeel. Toen de troonopvolger Paul een tekening uit deze serie van de kunstenaar ontving, had hij daar grote schik om. Hij zette hem op een tafeltje. Voor hem was het eerder een voorstelling uit de toneelwereld, dan een document uit de verschrikkingen waaronder zijn onderdanen leefden. Net zomin als het neoclassicisme in deze periode alle kunst had beïnvloed, was iedere Europeaan een Verlichtingsmens. Dat maakt deze interessante tentoonstelling goed duidelijk.

Tentoonstelling: Mehr Licht. Europa um 1770. Die bildende Kunst der Aufklärung. In het Städelsches Kunstinstitut, Frankfurt a/M, Holbeinstrasse 1. Tot 9/1. Open: di ,vr, za, zo 10-19u, wo en do 10-22u. Tel. 00-49-69-6050980. Cat. DM 48, geb. DM 98.

    • Roelof van Gelder