Akkoord over joodse polissen

De Nederlandse verzekeraars betalen de joodse gemeenschap 50 miljoen gulden als compensatie voor nooit uitgekeerde polissen van joden die door de nazi's zijn vermoord. Het is de eerste overeenkomst die in Nederland is gesloten over de afhandeling van de oorlogstegoeden.

Het Centraal Joods Overleg (CJO), dat de meeste joodse organisaties bundelt, en het Verbond van Verzekeraars hebben vanmorgen bekendgemaakt een akkoord te hebben gesloten over de oorlogspolissen. CJO-woordvoerder R. Naftaniël sprak van ,,een historische moment''. De overeenkomst is bedoeld als ,,finale regeling, waarmee partijen beogen recht te doen aan de slachtoffers van de Shoa en hun nabestaanden.''

Het CJO wil dat ook de Nederlandse regering een uitkering doet aan de joodse gemeenschap, omdat een deel van de verzekeringsgelden na de oorlog is terechtgekomen in de staatskas. Een gesprek daarover met minister Zalm (Financiën) vorige week heeft niets opgeleverd. Het kabinet wil eerst onderzoeken door een aantal commissies afwachten. ,,Wij blijven aankloppen bij Zalm'', kondigde Naftaniël aan, ,,want het kan niet zo zijn dat de Nederlandse regering zit op het geld van vermoorde joden.''

De overeenkomst regelt de afhandeling van `slapende polissen', vooral levensverzekeringen, van vermoorde joden. Die polissen zijn nooit uitgekeerd omdat ook nabestaanden zijn vermoord of omdat de erfgenamen niets wisten van een verzekeringspolis.

Het bedrag dat daardoor ten onrechte bij de verzekeraars is blijven zitten, is nu door het Verbond en het CJO vastgesteld op 45 miljoen in hedendaagse guldens, 22 keer zoveel als het bedrag van de `slapende polissen' in de jaren 1942 en 1943. Een deel daarvan, 20 miljoen gulden, is bestemd voor individuele uitkeringen aan rechthebbenden, die nog 10 jaar een claim kunnen indienen.

Voor de Stichting Joodse Oorlogstegoeden (in oprichting) is 25 miljoen gulden bestemd. Zij zal onder joodse oorlogsslachtoffers een referendum organiseren over de besteding ervan. De verzekeraars geven bovendien `als eerbetoon' 5 miljoen gulden aan het onderzoeksproject Monument Joodse gemeenschap.

De besteding van de verzekeringsgelden is nu onderwerp van een conflict in de joodse gemeenschap, dat zoals CJO-voorzitter E. Numann zei, ,,een schaduw werpt'' over het akkoord dat daardoor nog niet getekend kan worden. Enkele joodse organisaties hebben een kort geding aangespannen tegen het CJO, dat vanmiddag zou dienen. Deze organisaties vinden dat het geld rechtstreeks naar de oorlogslachtoffers moet en niet naar de joodse gemeenschap als geheel. Het CJO vindt dat, juist omdat er in de meeste gevallen geen nabestaanden meer zijn, niemand individueel aanspraak kan doen gelden op het geld.

Na de Tweede Wereldoorlog beschouwde de Nederlandse staat zich als erfgenaam van de `slapende polissen' en liet in 1955 de verzekeraars de polissen afkopen voor zo'n 700.000 gulden. Uitkeringen na die overeenkomst konden worden teruggehaald bij de staat en in de eerste jaren gebeurde dat ook nog wel, zodat uiteindelijk 450.000 gulden resteert. De werkelijke waarde van de verzekeringen lag echter viermaal hoger dan de afkoopwaarde, zo is nu vastgesteld.

Dat bedrag is vermenigvuldigd met 22, een internationaal gezien hoge factor. ,,Als je het fatsoenlijk en integer wil doen, dan moet je de situatie per land bekeijken. Nederland heeft in de jaren '70 een hoge rente gehad'', lichtte voorzitter E. Fischer van het Verbond toe. De gehanteerde aanname is dat het geld van 1943 tot 1955 – het jaar van het akkoord – kort is belegd en daarna lang is vastgezet in staatsobligaties tot 1999.