Afslanking Kamer

Als het goed is, zijn Tweede-Kamerleden geen vertegenwoordigers van hun eigen carrière, hun publicitaire scoringsdrift of hun ambitie om minister, staatssecretaris, topambtenaar of op z'n minst burgemeester te worden. Kamerleden worden geacht vertegenwoordigers van het volk te zijn. Er moet dus een proportionele relatie zijn tussen het aantal volksvertegenwoordigers en de omvang van de bevolking. Bij afslanking van de Tweede Kamer tot 100 leden, zoals bepleit door Mark Kranenburg (NRC Handelsblad, 20 oktober), is die proportionaliteit volledig zoek. We hoeven ons niet te spiegelen aan Zweden, dat een parlement heeft met 349 leden op een bevolking van nog geen 9 miljoen, wat nogal disproportioneel lijkt. Beter is het te kijken naar Noorwegen met 165 parlementsleden op 4,5 miljoen inwoners of Denemarken met 179 leden op rond 5 miljoen inwoners. Daarmee vergeleken zou een afslanking van het aantal Tweede-Kamerleden tot 100 op een bevolking van bijna 16 miljoen tot pure ondervertegenwoordiging leiden.

Vraagtekens zet ik bij Kranenburgs argumenten. Moet een parlement zich alleen tot hoofdzaken en hoofdlijnen beperken? Natuurlijk niet. Primaire taak van een volksvertegenwoordiging is de problemen van de bevolking te tillen naar het niveau waar ze kunnen worden opgelost. Daarbij kan het wel degelijk om detailkwesties inzake uitvoerings- en bestuurspraktijken gaan.

Maar zelfs als je de Kamer wil dwingen tot `sturen op hoofdlijnen', doe dat dan niet via het Procrustes-bed van een botte afslanking, maar verhoog het ledenaantal tot 200 en verminder tegelijkertijd de schadeloosstelling. Daarmee onttrek je betrokkenen aan de incrowd-atmosfeer van de Haagse kaasstolp en dwing je hen om er naast hun Kamerlidmaatschap nog een normaal beroep op na te houden, met alle mogelijkheden van dien van een reëler contact met de bevolking en een minder ego- en carrièregericht functioneren. Er bestaat in Nederland niet in de eerste plaats behoefte aan een efficiënter parlement, wel aan een democratisering van de volksvertegenwoordiging.

    • J. Prillevitz