Rijnders brengt adembenemende `De Cid'

Even traag als de spelers de waaiers in hun hand op en neer wieken voltrekt zich in de uitvoering van Toneelgroep Amsterdam de tragikomedie De Cid (1637) van Pierre Corneille. Verkoeling brengen de waaiers niet, op deze manier, wel geven ze, als een metronoom, ritme en maat aan van regisseur Gerardjan Rijnders' enscenering: kunstmatig en subtiel, traag maar zorgvuldig, geposeerd maar tot in de details doordacht, sober maar met maximaal effect.

Corneilles stuk biedt een regisseur niet veel bewegingsruimte. Hoewel hij als overgangsfiguur tussen barok en classicisme veel speelser is dan de granieten Racine, zijn jongere tijdgenoot, schreef hij De Cid in dwingende alexandrijnen, de klassieke versvorm van het Franse treurspel. Eenheid van tijd, plaats en handeling is er niet, zomin als door goden gestuurd noodlot, maar harde helderheid, uitgesprokenheid en een klare tegenstelling tussen gevoel en rede kenmerken dit redeneerstuk wel. Al lijken de personages zich soms te herhalen, er zit een razendknappe, geraffineerde en constante voortgang in hun redeneringen. Steeds weer doemt er een nieuw, briljant geformuleerd en ogenschijnlijk finaal inzicht op, als de almaar ander licht weerkaatsende facetten van een langzaam ronddraaiende diamant.

Daar de beitel inzetten is zinloos en ongewenst, het gaat, zowel in letterlijke als in overdrachtelijke zin, om het licht dat een regisseur erop laat schijnen. Het gaat om effectief gebruik van de marge die Corneille laat en dan liefst in een vorm die kan wedijveren met die van de schrijver. Rijnders en zijn spelers zijn er glansrijk in geslaagd zo'n vorm te vinden.

Goya, Spaans hofschilder uit de achttiende eeuw, die geen moeite deed de incestueuze gelaatstrekken van zijn vorstelijke modellen te verhullen, is een belangrijke inspiratiebron. De Infante van Castilië, gespeeld door Celia Nufaar, heeft dan ook een lange Cyrano-neus en een mank been. Goya's kleuren en de expressionistische vlakverdeling in zijn latere doeken bepalen de grillig-gevormde lappen die schetsmatig de verschillende locaties aanduiden. Een Spartaanse fauteuil, links op het toneel, is het enige rekwisiet dat decorontwerpers Marjolein Ettema en Paul Gallis op toneel gezet hebben.

De Cid is na Racines Andromache en Zinsbegoocheling, ook van Corneille, Rijnders' derde enscenering van een klassiek, retorisch stuk. Hij bewijst er wat mij betreft opnieuw mee nog altijd de belangrijkste regisseur van dit land te zijn, hoe vaak hij overigens ook de plank misslaat. Het succes van de vorige twee producties weerhoudt hem er niet van wederom naar nieuwe mogelijkheden te zoeken. De pose uit Andromache en de exuberantie van Zinsbegoocheling smelten in De Cid samen tot uiterst geserreerde kunstmatigheid, die niettemin ruimte laat voor dubbelzinnige karaktertekening.

De titelheld wordt door een weergaloze Hans Kesting gespeeld als een schuchtere schooljongen, met een neerhangend kopje tussen kromme schouders. Roos Ouwehand, die niet voor haar tegenspeler onderdoet, is een puberale Jimena, die net zo goed haar toevlucht kan nemen tot een hees kinderstemmetje als tot levenswijze tirades. Letterlijk springt ze hoog en laag, als in slow-motion strekt ze zich telkens weer op de vloer uit om haar smeekbedes aan de koning kracht bij te zetten. De liefdesscène waarin zij, gedwongen door eer, haar geliefde Rodrigo, de latere Cid, het doodvonnis aanzegt, is een hoogtepunt van acteren, van timing, van mise-en-scène, van maat en van de juiste balans tussen haat en liefde.

Groots spel levert ook Jasper Boeke als de langzaam uit elkaar vallende koning, wiens opkomst wordt aangekondigd door zijn aarzelende wandelstokken, waar hij steeds dieper over buigt. Het is een verrassende, oogstrelende en prachtig belichte entrée. Sterk zijn ook Celia Nufaar die als een jaloers lijdend voorwerp gedurig in de fauteuil hangt en Mimoun Oaïssa die als Don Sancho aan het slot in schitterende snikken op het voortoneel zijn nederlaag in de liefde verwerkt. Al die tijd ervoor heeft hij, met het bekken naar voren en zichtbaar rechtsdragend (een geestige subtiliteit, die net te vet wordt als hij in zijn kruis krabt) zijn hoop gekoesterd - en nu is zijn broek leeg en zijn rug gekromd.

Kostuumontwerpster Tessa Lute heeft de maat van de voorstelling perfect aangevoeld; de pracht en praal van Zinsbegoocheling heeft plaats gemaakt voor sobere, naar de tijd van handeling (laat-Middeleeuws Castilië) verwijzende knipogen, met hedendaagse sportschoenen en trainingsbroeken, maar even goed met een uitzinnige bonbon-japon van zwarte tule als Jimena's rouwkleed. Voeg erbij de spaarzame, zachte muziek die weerklinkt op de dramatische hoogtepunten, het geraffineerde licht van Henk van der Geest, een over de hele linie adembenemende tekstbehandeling, de welluidende vertaling in onberijmde alexandrijnen van Laurens Spoor: deze productie ga ik me herinneren in louter superlatieven.

Voorstelling: De Cid van Pierre Corneille door Toneelgroep Amsterdam. Vertaling: Laurens Spoor. Regie: Gerardjan Rijnders. Decor: Marjolein Ettema/Paul Gallis. Kostuums: Tessa Lute. Spel: Roos Ouwehand, Hans Kesting, Jasper Boeke, Celia Nufaar e.a. Gezien: 5/11, Stadsschouwburg Amsterdam. Herh: 25 t/m 28/11 en 7 t/m 11/12 aldaar. Res. (020) 6242311. Elders: t/m 6/12. Inl. (020) 5237800.

    • Pieter Kottman