Nieuwe DNA-wetgeving moet privacy verdachten respecteren

Recente zedenmisdrijven hebben de discussie over DNA-wetgeving doen oplaaien. Het gevaar dreigt nu dat bij het opstellen van nieuwe DNA-wetten politieke scoringsdrift het wint van het waarborgen van de privacy, menen S. Harchaoui, L. van Lent en I. van der Meer.

Het toepassen van DNA-onderzoek in strafzaken is in het kielzog van de recente zedendelicten in een stroomversnelling terechtgekomen. Er wordt gepleit voor verruiming van de mogelijkheden om DNA-onderzoek toe te passen en voor het vullen van de DNA-databank.

Minister van Justitie Korthals bevestigt de indruk dat een brede toepassing van DNA-onderzoek onontbeerlijk is om zedenzaken te kunnen ophelderen. Hij heeft een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de DNA-wetgeving en overweegt nog een wijzigingsvoorstel in te dienen. Hoewel de onrustgevoelens invoelbaar zijn, lijken zij met zich mee te brengen dat de kwaliteit van de nieuwe wetgeving ondergeschikt wordt gemaakt aan politieke scoringsdrift.

Deze scoringsdrift heeft tot nog toe echter alleen maar tot teleurstellingen geleid. Presentatie van een onderzoeksmethode als hèt middel tegen het kwaad kent bovendien een roemloze geschiedenis. Zo bleek de `Pluk ze'-wetgeving – gericht op het confisceren van door middel van misdaad verkregen vermogen – de overheid uiteindelijk meer te kosten dan op te leveren. Ook de verheerlijkte `bijzondere opsporingsmethoden' brachten de georganiseerde criminaliteit niet de doodsteek toe, maar waren haar juist behulpzaam.

Als gesproken wordt over grondrechten die in het geding zijn bij DNA-onderzoek, gaat het ten onrechte alleen over het recht op lichamelijk integriteit (bij gedwongen afname van celmateriaal van verdachten). Verbazingwekkend en zorgelijk is dat het grondrecht op bescherming van de privacy geheel niet aan de orde komt. Dit grondrecht betekent dat de DNA-wetgeving op zijn minst aan een aantal eisen zal moeten voldoen.

DNA-gegevens zijn `gevoelige gegevens' in de zin van de (nog in te voeren) Wet bescherming persoonsgegevens. Dit betekent dat iedere verwerking van dergelijke gegevens een inbreuk op het privacyrecht is. Om die reden moet gebruik van DNA-gegevens met waarborgen zijn omkleed.

De eisen waar de wetgever niet omheen kan zijn de volgende. In de wet moet worden opgenomen dat DNA-gegevens alleen mogen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verkregen: de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De wet zal ook moeten aangeven welk gebruik van welke gegevens voor dit strafvorderlijk doel toelaatbaar is. Tenslotte moet de inbreuk op het privacyrecht die wordt gemaakt, evenredig zijn aan dat doel.

De minister van Justitie miskent dat waarborgen moeten worden gecreëerd rondom het bewaren van celmateriaal en het registreren van DNA-profielen. Zo geeft zijn wetsvoorstel niet duidelijk aan wat er met het celmateriaal, waaruit een DNA-profiel is verkregen, moet gebeuren.

De huidige DNA-wetgeving bevat de verplichting het materiaal te vernietigingen zodra een profiel is vervaardigd. De minister wil deze plicht nu clausuleren. Daarvoor is echter geen aanleiding, nu de reden voor de vernietigingsplicht, te weten uitsluiting van de kans op misbruik, onverminderd aanwezig is. Deskundigen menen immers dat op den duur genetische informatie – bijvoorbeeld over erfelijke ziektes – die in DNA ligt opgesloten, door onderzoek kan worden verkregen. Ook heeft de Hoge Raad recentelijk bepaald dat celmateriaal verkregen voor DNA-onderzoek uitsluitend mag worden gebruikt voor vergelijking van daaruit te vervaardigen DNA-profielen. Dit wil zeggen dat er geen rechtvaardiging bestaat om celmateriaal langer te bewaren dan nodig is voor het vervaardigen van een profiel. Het is het profiel dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten dient. Niet het materiaal.

Ook de registratie van profielen in de DNA-databank moet met waarborgen worden omgeven. De wet moet op zijn minst aangeven welke profielen mogen worden geregistreerd.

De voorgestelde verruiming van de mogelijkheden tot vervaardiging van profielen brengt mee dat er meer zullen worden geregistreerd. Het privacyrecht dient dus ook aan de orde te worden gesteld bij de vraag van wie DNA-materiaal afgenomen mag worden.

Destijds was het de bedoeling dat DNA-onderzoek uitsluitend zou worden verricht in moeilijk bewijsbare ernstige gewelds- en zedendelicten. Dit doel lijkt thans uit het oog te zijn verloren. De minister overweegt zelfs gedwongen afname van celmateriaal van verdachten mogelijk te maken bij delicten waarop een maximumstraf van vier jaar staat. Nu ligt de grens nog bij acht jaar. Willen we de winkeldief in de DNA-databank?

Opvallend is dat de minister zelf aangeeft dat profielen worden geregistreerd die niet in de DNA-databank thuishoren. Immers, niet alleen van verdachten wordt een DNA-profiel gemaakt. Ook slachtoffers en andere niet-verdachten (bijvoorbeeld zij die meewerken aan grootschalige DNA-onderzoeken, waarvoor bijvoorbeeld wordt gepleit ter opheldering van de moord op Marianne Vaatstra) kunnen in de databank belanden. Het máken van deze profielen kan gerechtvaardigd zijn, de registratie daarvan is dat niet. Het privacyrecht eist dat de registratie van déze profielen wettelijk wordt uitgesloten.

Een juridische en maatschappelijke discussie over de kwaliteit van de DNA-wetgeving is een bittere noodzaak. De wetgever moet daarbij het voortouw nemen. Een eerste stap kan worden gezet door de DNA-regeling als zelfstandig wetgevingsproject te beschouwen, en niet als afgeleide van onrustbarende zedenzaken.

mr. S. Harchaoui, mr. L. van Lent en mr. I. van der Meer zijn verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht.

    • S. Harchaoui
    • L. van Lent
    • I. van der Meer