Music Meeting leidt tot stilistische spraakverwarring

Waar verschillende windrichtingen bijeenkomen ontstaat een werveling. De podiumbezetting van de eerste act op de laatste dag van de Nijmeegse Music Meeting beloofde zelfs een muzikale cycloon van formaat. Naast elkaar stonden een Bulgaars vocaal trio, drie Toevaanse boventoonzangers en een muziektheatergroep uit Oeganda. Twee kopstukken uit de Nederlandse geïmproviseerde muziek, pianist Michiel Braam en drummer Fred van Duynhoven, hadden de taak op zich genomen deze uiteenlopende muzikanten te verenigen in het Globe Orchestra.

Dat niet alle deelnemers aan deze kruisbestuiving even bekend zijn met het fenomeen improvisatie, bleek al snel. De Bulgaarse Bisserov Sisters zaten wat timide in hun hoekje te wachten tot zij hun polyfone zangpartijen ten gehore konden brengen en voelden zich zichtbaar het meest op hun gemak in de a cappella passages. En de drummers van de Ndere Troupe zaten af en toe verward te kijken naar Van Duynhoven om te achterhalen in welk ritme ze nu geacht werden te spelen. Alleen de Toevanen voelden zich zelfverzekerd genoeg om Braams lenige pianospel te omlijsten met donkere keelklanken, rauw gezaag op de igil en gezwiep van de mondharp.

In de stukken met een duidelijk ritme kwam het internationale gezelschap het dichtst in de buurt van de beoogde stilistische synthese. Vaker bleef het experiment echter hangen in een los op elkaar stapelen van afzonderlijke stemmen. Dan namen de drie trio's afwisselend het voortouw en beperkte de rest zich tot het toevoegen van exotische toefjes, de overbruggende inspanningen van Van Duynhoven en Braam ten spijt. Hoe aanstekelijk het soms ook klonk, het resultaat was meer een opeenvolging van losse monologen dan een geanimeerd gesprek.

Opvallend was het grote aantal bands dat zich beoefenaars toonde van een muzikaal Esperanto. Zo koppelde het Toevaanse Yat-Kha electronisch instrumentarium en een punkachtige energie aan door een boventoonzanger vertolkte traditionele liedjes over schapenherders en hoge bergen. Vincius Cantuária ui Brazilië wist pop, jazz en bossa nova tot een eigenzinnig geheel te mengen. En de Hongaarse tenorsaxofonist Akosh Szelevenyi bewees zich met zijn fusie tussen chromatische improvisaties en complexe Balkan-ritmes een waardig opvolger van de in 1970 vroegtijdig overleden free jazz pionier Albert Ayler. Dat dit soort muzikale alchemie ook aanstekelijke pop kan opleveren, liet het Parijse Orchestre National de Barbès horen. Met veel gevoel voor show paarden de vijftien orkestleden zompige funkbassen, grommende raggamuffin vocalen en springerige ska-ritmes aan de chaâbi en raï uit hun Noord-Afrikaanse geboorteland.

Maar ook met de puristen onder het publiek was rekening gehouden. Naast de in Nederland al overbekende Malinese zang- en percussiegroepen en Cubaanse son-exponenten, stonden een paar verrassingen op het programma. Zoals de Iraniër Kayhan Kalhor, bespeler van de kamancheh, een viersnarige spijkerviool. In hese, lange lijnen, maar ook kittig pizzicato en warmbloedige tremolo vertolkte hij bijgestaan door de vingervlugge dholak-trommelaar Morteza Ayan klassiek Perzisch repertoire.

Minstens zo klassiek en nooit eerder buiten Myanmar (Birma) te horen geweest, was de hofmuziek van de U Yee Nwe groep. De wisselwerking tussen xylofoon en piano, allebei op een manier bespeeld die het houdt tussen duwen en slaan, zorgde voor een lucide en onaards geluid. Het ontbreken van enig houvast aan een westers referentiekader was misschien de reden voor de onrust onder het publiek dat met klappende deuren en hardop praten het optreden goeddeels verpestte. Het was opnieuw een kleine tragedie voor het Aziatische ensemble dat in Bangkok een 21-delige trommelset kwijtraakte.

Music Meeting. Gehoord: 5/11 t/m 7/11 Nijmegen.

    • Edo Dijksterhuis