Ken u zelf

Nick Leesons vrouw zei wel eens `Wat ben je gestresst' en ze stelde wel eens een paar vragen, omdat ze blijkbaar het gevoel had dat ze iets niet wist. Maar hij ging er niet op in, zo vertelde de jonge oplichter die de Baring-bank heeft verwoest afgelopen zaterdag in deze krant. Tot het moment waarop hij haar moest bellen om te zeggen dat ze de koffers moest pakken want dat ze er vandoor gingen, wist ze niets. Ze wist niet met wie ze leefde. En hij, zo te lezen, hield van haar, maar durfde niet te zeggen wat hij deed, wie hij nog meer was dan die hardwerkende succesvolle jongen.

Het is een van de raadsels van de intieme omgang, ook als het om veel minder schokkende geheimen gaat: dat men elkaar zo weinig kent. Je vrienden, wat weet je van ze? Van alles, zeker, maar ook van alles niet. We praten over ze en reduceren ze tot een paar eigenschappen, een paar eigenaardigheden, een paar wetenswaardigheden. Het zal wel niet anders kunnen, een mens is zoveel, er zitten zo veel vreemde en onbekende kanten aan. Het betekent wel dat we, als we over iemand praten, die eigenlijk altijd tekort doen, al oordelen we misschien heel juist over één bepaalde kant waar we veel mee te maken hebben. Het is soms duizelingwekkend, zo vertrouwd als je met sommige mensen kunt zijn, zonder dat je ze ook maar enigszins `kent'. Ook al weet je quasi `alles', dan nog weet je niets. Nooit weet je wat er zich in iemands hoofd werkelijk afspeelt – het is al onmogelijk om te weten wat zich in eigen hoofd en hart zoal voltrekt.

Nick Leeson vertelde niet alleen niets aan zijn vrouw omdat hij zich voor haar schaamde, hij zweeg ook omdat hij niet kon geloven dat hij echt iemand was die op een dergelijke manier aan het malverseren was. Hij wilde dat van zichzelf niet weten. Zou hij het uitgesproken hebben, dan was het ineens waar. Toevallig bleken twee romans die ik onlangs las, daarover te gaan, over het beeld dat we van een ander en van onszelf hebben. Margriet de Moor Zee-Binnen, en een verbluffend subtiel en mooi boek van een Deense schrijver, Jens Christian Grondahl, Stilte in oktober. Dat boek begint op de dag dat de vrouw van de hoofdpersoon weg gaat, op reis, ze zegt niet waarheen of hoe lang. Ze zijn een kleine twintig jaar bij elkaar geweest. Tijdens haar afwezigheid gaat hij na wat hij van haar weet, hoe hij haar kent, hoe de beslissingen in zijn leven en in hun huwelijk eigenlijk tot stand zijn gekomen. Verrassend impulsief en lukraak.

Net zoals de man die in Margriet de Moors roman in een affaire terechtkomt, gewoon door de weg te volgen waarop hij is terechtgekomen. Hij neemt eigenlijk geen beslissing, zoals Nick Leeson nooit beslist heeft om een oplichter te worden, zoals de hoofdpersoon in Grondahls boek gewoon op een dag `Waarom niet?' heeft gezegd toen de vrouw die nog niet zijn vrouw was, zei dat ze zwanger was. Zoals we allemaal voortdurend iets doen en dan maar verder gaan. Achteraf spreken we over keuzes en beslissingen, achteraf blijken we die ook gemaakt te hebben, maar op het moment zelf? ,,We zitten ingewikkelder in elkaar dan we zelf denken'', zegt een wijsgerige hond in Margriet de Moors boek. ,,Dat geloof ik ook'', antwoordt de dierenarts die de hoofdpersoon is. Hond: ,,We brengen maar een klein stukje van onszelf in praktijk.'' Dierenarts: ,,Inderdaad.''

Het is iets wat je je soms probeert voor te stellen: onze beste vrienden zitten nu met zijn tweeën thuis. Wie zijn ze? Wat doen ze? Hoe praten ze tegen elkaar? Heeft hij heel lekker gekookt en hebben ze lang aan tafel gezeten en spraken ze daarbij over beeldende kunst? Over Nick Leeson? Over elkaar? Over ons? (Help! Hoe bestaan wij in hun ogen?) We kennen ze toch goed, we hebben met elkaar vakanties doorgebracht, we kennen elkaar 's ochtends aan het ontbijt, zwetend in een warme auto, geërgerd als we de weg niet konden vinden, we hebben onenigheden gehad, tot diep in de nacht dingen tegen elkaar gezegd die we weer niet snel aan anderen zouden zeggen, we zijn elkaar om de hals gevallen, we hebben elkaar opgebeurd, we kennen ouders en kinderen – maar geen idee hoe hun gesprek is, echt is, als ze alleen zijn. Geen idee hoe ze 's ochtends met elkaar wakker worden, hoe hun slaperige stemmen de eerste dingen van de dag tegen elkaar zeggen, hoeveel ze elkaar laten weten, hoezeer ze geloven in de beelden die ze aan de buitenwereld presenteren.

,,Maar het was nog tot daaraan toe hoe weinig we van elkaar wisten, zei ik. Je kon je ook afvragen hoeveel we eigenlijk van onszelf wisten. Want als je niet bij machte was jezelf ooit helemaal te overzien, als je altijd een blinde hoek overhield, een witte plek die je zelf niet kon zien, die je nooit kon omvatten met je zelfkennis, hoe streng je ook was voor jezelf en misschien juist omdat je altijd te streng hetzij te tolerant voor jezelf bent, wanneer het om jezelf gaat, en stel dat er dan werkelijk iemand was die oog had voor je hele persoonlijkheid, met een onbekende, ondoorgrondelijke blik, met een onbekende, ondoorgrondelijke kennis, misschien zelfs zonder dat je er erg in had, moest je je er dan bij neerleggen dat je werkelijke, volle en ware identiteit een geheim bleef achter de ogen van deze onbekende?'' Grondahl, een gesprek in de auto tussen echtgenoten.

Het is een oud probleem: als het mogelijk is dat een ik zichzelf helemaal kent, moet er wel weer een ander ik zijn dat zichzelf helemaal kent en zo maar verder in oneindige regressie. In de Indiase mythologie wordt er onderscheid gemaakt tussen `ik' en `zelf': het zelf kijkt naar het ik, het ik naar de wereld. Dat `zelf', de atman, dat komt misschien in de buurt van die `onbekende, ondoorgrondelijke blik' waar Grondahls hoofdpersoon het over heeft.

,,Toen ik de sensationele verhalen in de kranten las, dacht ik eerst nog: ze hebben het over iemand anders'', zei Nick Leeson. Hoewel hij ging geloven dat het wel degelijk over hem ging, had hij in die eerste reactie ook gelijk. `Ze' hebben het altijd over iemand anders. Degene die je bent van binnen, hoe beperkt ook te overzien, is altijd iemand anders dan degene die iets gedaan of gezegd heeft. Het is misschien ook daarom dat biografieën maar beter kunstwerken op zichzelf kunnen zijn, want hoe meer ze pretenderen iemand doorgrond te hebben, hoe absurder het wordt. Op zijn best kan iemand een `round character' worden, zoals dat in de literatuurwetenschap heet, een echt personage met een schijn van diepte. Maar wat zeggen anekdotes, herinneringen, wat brieven? Niets over de kleuren en geuren die iemand koestert, de geluiden die zijn hart doen zinken of opveren, niets over die smeltkroes van herinneringen en sensaties van waaruit iedereen leeft. De Zweedse dichter Lars Gustafsson meent zelfs dat al die dingen, dat `wat wij `ik' noemen', zaken als `stemmen van leraren,/ de kleuterjuf met haar liniaal,/ het fluitje in het al te luid weerkaatsende gymnastieklokaal' nog niet ons `ik' uit maken. Volgens hem gaat het om iets anders: ,,Wat wij `dat' noemen:/ het orgasme, de plotselinge inval,/ de woedeaanval die even bliksemsnel opdoemt/ als de ingeving./ Dat alles is het meest persoonlijke dat wij bezitten.'

`Ken u zelf' stond op de Apollo-tempel in Delfi. Misschien had er nog bij moeten staan: `en verbeeld u niet dat u een ander kent'.

    • Marjoleine de Vos