Kantsjeli's fluisterzachte ruis lijkt stilte

Deze week presenteert de Stichting Gaudeamus het eerste Festival voor Nieuwe Spirituele Muziek. Niet ontwikkeling en experiment, maar herhaling en communicatie zijn de pijlers van een muzikale stroming die laveert tussen innemende toegankelijkheid en edelkitsch.

Schrijf voor ons een `Requiem voor een millennium'. Dat was het verzoek waarmee de stichting Gaudeamus haar compositieopdrachten aan componisten Joep Franssens, Giya Kantsjeli en Toby Twining begeleidde. Aanleiding voor de composities vormt het allereerste festival voor Nieuwe Spirituele Muziek dat gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw begon met de premières van de werken van Franssens en Kantsjeli. Het festival duurt nog de gehele week voort met concerten en een twee dagen durend symposium op vrijdag en zaterdag.

Nieuwe spirituele muziek is muziek voor bezinning en onthaasting. Het werk van componisten als Giya Kantsjeli, Arvo Pärt, Kevin Volans, Gavin Bryars of Joep Franssens staat in de cd-winkel doorgaans tussen de `eigentijdse klassieke muziek', maar die classificatie is bedrieglijk. Nieuwe spirituele muziek neemt juist afstand van het muzikaal modernisme, en contrasterend is ook de mate van publieke belangstelling voor beide stromingen. Een cd met werk van Stockhausen vindt zijn weg naar een handvol ingewijden, Kevin Volans' cd Pieces of Africa (1993) bracht het in de Verenigde Staten tot de op één na best verkochte klassieke cd van dat jaar.

Wie zijn rust na de stress van alledag graag zoekt in intellectuele prikkels, vindt in nieuwe spirituele muziek vooral aanleiding tot opwinding. Niet ontwikkeling, maar herhaling staat centraal; niet vernieuwing, maar herkenbaarheid, verduidelijkt Michael van Eekeren, artistiek leider van het festival, in het programmaboek. De wereld om ons heen is zodanig hectisch en overweldigend geworden, dat de ontkerkelijkte mens zijn heil gaat zoeken in muziek die niet draait om een betoog, maar om roesgevend gekabbel.

De Litouwse componist Pärt (1935) geldt als grondlegger van de nieuwe spirituele muziek. Pärt, zelf geenszins ontkerkelijkt maar net als zijn generatiegenoot Giya Kantsjeli lid van de Russisch-orthodoxe gemeenschap, realiseert in zijn muziek mystieke eenvoud. En Pärts in traagheid bedwelmende, rituele herhalingsprincipes in een expressief, neoromantisch idioom zijn de beginselen van veel van de componisten wier werk met de term `nieuwe spiritualiteit' wordt gerubriceerd.

Het Cantus in memoriam Benjamin Britten, vanavond te beluisteren op het tweede festivalconcert in de Grote Zaal van het Concertgebouw, geeft een geslaagd voorbeeld van Pärts stijl, die zonder de minimal music van componisten als Steve Reich of Philip Glass niet mogelijk zou zijn geweest. Alleen nu dienen de zich repeterende motieven niet ter begeleiding van beklemmende beelden van `het leven uit balans', zoals Glass deed in zijn filmmuziek bij Koyaanisqatsi, maar juist om bij de luisteraar een gevoel van vertrouwdheid en geborgenheid op te wekken. Als was nieuwe, spirituele muziek de profeet van een nieuwe, niet kerkgebonden religiositeit.

Wie de vorig jaar verschenen cd met het orkestwerk Trauerfarbenes Land (ECM 1646, 457 850-2) van de Georgische componist Giya Kantsjeli (Tiblisi, 1935) beluistert, werpt na een minuut speelduur vermoedelijk een bezorgde blik op zijn installatie. Wat klinkt, is stilte. Of, nauwkeuriger: een fluisterzachte ruis die zich bij een normale volumestand laat misverstaan als stilte. Zo ook aan het begin van Kantsjeli's Evening prayers. Het werk maakt deel uit van de gebedencyclus Life without Christmas, die zaterdag in de Westerkerk integraal wordt uitgevoerd op de `Dag van Bezinning'.

De openingsmaten zijn verraderlijk. Het werk van Kantsjeli is allesbehalve kalm en behoort, mede door diens rijke ervaring in het schrijven theater- en filmmuziek, tot de meest prikkelende uitingen van nieuwe spiritualiteit. Maar Kantsjeli wil ook niet als een `nieuw spiritueel componist' worden omschreven. Hij schrijft de muziek die hij schrijft, en die moet zonder etiketten voor zichzelf spreken.

Kantsjeli verliet zijn vaderland Georgië na het uitbreken van de burgeroorlog. Hij leeft nu in een zelfgekozen exil in Antwerpen, maar verlangt in klank en gedachte terug naar zijn verloren vaderland. Zoals ook bij Pärt, klinken er reminiscenties aan de middeleeuwse sferen van Russisch-orthodox kerkgezang en dwarrelen tedere wiegeliedjes met volkse wortels op tussen een veelvoud aan klagende lamentaties. Georgië ligt op de grens tussen het morgen- en het avondland, en de wisselwerking tussen het mystieke en het rationele zijn ook fundamenteel voor Kantsjeli's oeuvre. Met nevelige klaagzangen en lomp beukende onheilsdreunen laveert zijn muziek op en soms over de grens van bekenteniskunst en kitsch.

Waar een breekbare melodielijn bruut in de knop wordt geknakt of waar doodse klanktornado's zich met dreunend geraas bekeren tot een majeurslotakkoord, overschrijdt Kantsjeli de scheidslijn met het banale. Op zulke momenten doet zijn muziek niet onder voor de soundtrack van een tweederangs t.v.-film over menselijk leed. Pianodrieklanken als de stukgeknipte versie van een kwijnende rockballad, koorzang in trage nevels ofwel Orffiaanse overdaad: Kantsjeli's middelen zijn meteen herkenbaar en moeten dat ook zijn. Maar zijn muziek is, anders dan veel andere spirituele muziek, niet uitsluitend toegankelijk en communicatief. Boven Kantsjeli's muzikaal landschap gaat zelden de zon op, want `iedereen heeft een eigen land van verdriet', vindt de componist. Dat hij geen enkele poging doet zijn bedoelingen te versluieren, maar die juist met brede gebaren onderstreept, doet sceptici fronsen, maar een breed publiek wenen.

Er is dus zonder meer een markt voor nieuwe spirituele muziek, en de timing van het festival met nog enkele weken gaans voor het nieuwe millennium, is geen toevalligheid. De programmering reikt voorbij de grenzen van Pärt en Kantsjeli met concerten rond `spirituele pop', en `techno-trance'. En wie de functie van muziek als nieuwe religie nóg verder wil verkennen, stuit onvermijdelijk ook op de zoekende tonen van de didgeridoo (vrijdagnacht in Paradiso), of op de zwevende klanken van boventoongezang (morgenmiddag in het Tropeninstituut) - muziek die als vanzelf de roezige status-quo opwekt waarnaar ook Arvo Pärt en zijn stijlverwanten streven.

Festival voor Nieuwe Spirituele Muziek t/m 13/11 in Concertgebouw, Tropeninstituut, Paradiso en Westerkerk, Amsterdam. Inl. en res. aldaar of via de Uitlijn: 0900-0191

    • Mischa Spel