Advocaat is meer dan juridisch hulpstuk

Het is onjuist dat een advocaat zich niet zou mogen beroepen op de mazen in de wet vindt G. Mols. Maar, stelt Hendrik Kaptein, de vraag is of advocaten in alle omstandigheden echte of vermeende belangen van cliënten moeten dienen, wat ook door het falen van anderen op het spel kan staan.

Vertrouwensberoepsbeoefenaren die op de moraal van hun vak worden aangeschreven raken wel vaker verontwaardigd, maar G. Mols gaat in NRC Handelsblad van 5 november wel erg ver in vertekening van opvattingen van een vermeende tegenstander. Dat mag misschien in rechtsstrijd ten bate van cliënten, maar past niet in een debat over beroepsmoraal. Mij ging het er (in NRC Handelsblad, 1 november) niet om advocaat Korvinus in een kwaad daglicht te stellen en de advocatuur zwart te maken. De vraag is of advocaten in alle omstandigheden echte of vermeende belangen van cliënten moeten dienen, wat ook door het falen van anderen op het spel kan staan. De zaak van de verdachte van de moord op Sybine Jansons is daarvan niet meer dan een voorbeeld.

Als ik mij beperk tot het zakelijk deel van Mols' bijdrage gaat het om het volgende. Mols behandelt het primaat van de wet, rechtszekerheid, wezenlijke taken van advocaten, verschillen tussen rechtsstaten en bananenrepublieken en andere behartenswaardigheden die in de discussie bekend mogen worden verondersteld. Uiteindelijk stelt hij: ,,Dat betekent niet dat de raadsman [...] in voorkomende gevallen geen aandacht besteedt aan mogelijke gevolgen van bepaalde verweren en besluiten.'' Verder zegt hij daarover niets en dat is niet verbazingwekkend, want het is precies mijn standpunt.

Stilzwijgend ging dat standpunt uit van een even simpel als vanzelfsprekend beginsel: mensen zijn verantwoordelijk voor kwade gevolgen die zij kunnen voorkomen, zeker als leven en dood op het spel staan. Dat is niet alleen een juridisch, maar in de eerste plaats een menselijk beginsel. Het gaat niet over gebruik van juridische mogelijkheden dat in grensgevallen al dan niet geoorloofd is. Het beginsel geldt tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat anderen zulke gevolgen beter kunnen en zullen voorkomen. Dat laatste was in het besproken geval nu precies niet meer mogelijk. Het onomstreden bijzondere van dergelijke omstandigheden is nu juist dat grote gevolgen op het spel staan die de rechter niet meer kan voorkomen. Dat schept medeverantwoordelijkheden van advocaten, bijvoorbeeld voor recidivekansen.

Afweging die toch zou uitvallen ten gunste van de cliënt is iets wezenlijk anders dan ontkenning van het vraagstuk. Zou een advocaat stellen: alles wel beschouwd moet ik ondanks alle gevaren toch kiezen voor de cliënt, dan is dat een ernstig te nemen standpunt, hoe wezenlijk daarover ook van mening kan worden verschild. Maar wie stelt dat er niets valt af te wegen, miskent een deel van professionele verantwoordelijkheid. Advocaten zijn meer dan juridische hulpstukken voor willekeurige cliëntenbelangen. Mols' vergelijking van advocaten met artsen doet dan ook beider standen oneer aan. De dokter aan de snijtafel is verantwoordelijk voor heling van mensen, delinquent of niet. Dood- en lijfstraffen zijn bij ons afgeschaft en worden in ieder geval niet door de dokter uitgedeeld. Anders dan artsen maken advocaten deel uit van de rechtspleging. Zij moeten cliënten bijstaan binnen een rechtsorde waarvan het niet de bedoeling kan zijn dat er mét advocaten meer onrecht is dan zonder.

Advocaten die zich verzetten tegen elke afweging van cliëntenbelangen gaan uit van een merkwaardige heiligverklaring van het bestaande. Zij nemen aan dat alles wat al dan niet in het belang van cliënten kan voortkomen uit gegeven juridische procedures, hoe onvolmaakt ook door falende wetten en andere menselijke fouten, als zodanig gelegitimeerd is. In de tv-discussie bij Barend en Witteman (2 november) stelde Korvinus terecht dat de rechtspleging een geritualiseerde vorm van gedachtenwisseling is. Als het maar niet verwordt tot een gezelschapsspel voor juristen, waarin uitkomsten alleen nog worden gemeten aan de regels van het spel. In een minder persoonlijke benadering kan gedachtewisseling over beroepsethiek van advocaten of wat daarvoor tot nu toe moet doorgaan aan zakelijk gehalte winnen. Zo beschouwd blijft van de bijdrage van briefschrijver Keuchenius (6 november) niets over dat antwoord vereist. Voor zover ik hier zelf tekort ben geschoten bied ik in ieder geval Korvinus volgaarne en publiekelijk mijn verontschuldigingen aan.

Dr. H.J.R. Kaptein is verbonden aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam.

    • Hendrik Kaptein