Zeevissen bij de vleet

Afgelopen zomer heb ik voor het eerst van mijn leven vissen geaaid. Het waren roggen en ze zwommen in een ondiep bassin in het schitterende zee-aquarium van Boulogne-sur-mer. Als je je hand in het water stak kwamen ze langs om zich onder de vinnen te laten kriebelen, ongetwijfeld in hun functie van ambassadeur van de mariene biodiversiteit, ingezet om het publiek voor het behoud daarvan warm te maken. Intussen demonstreerden haaien hun zwemkunst, gaf een school tonijn een staaltje zelfdressuur weg en deden platvissen verdwijntrucs op de bodem. Slechts een enkeling als de zeewolf had geen boodschap aan het charme-offensief en lag grimmig voor zich uit te kijken.

Eenzelfde rijkdom en variatie biedt de nieuwe, uit het Deens vertaalde, zeevissengids van Bent J. Muus e.a. Een oude bekende in een nieuw jasje, want `Zeevissen van Noord- en West-Europa' is de gemoderniseerde heruitgave van Elseviers zeevissengids uit 1978, die alleen nog antiquarisch te krijgen is. Het werd dus tijd voor een opvolger.

Op het eerste gezicht ziet de gids er serieus en toegankelijk uit. De opmaak is versoberd en de indeling overzichtelijker geworden. De mooie illustraties in kleur komen op het glanzende papier scherper uit en laten meer details dan vroeger zien. Er zijn meer soorten opgenomen, zoals zoetwatersoorten die zich in het brakke water van de Oostzee kunnen handhaven en dwaalgasten die zich incidenteel in de Noordzee vertonen. De determineersleutel is grondig herzien en bestaat uit een hoofdsleutel voor determinatie tot het niveau van families en familiesleutels die op soorten uitkomen. (Toch is er een oude fout ingeslopen: de Gevlekte Pitvis doet zich nog steeds ten onrechte als Rasterpitvis voor.)

Voor soorten en families waarvoor nog geen Nederlandse naam bestond heeft de vertaler in overleg met een taxonoom nieuwe namen bedacht. Veertien bestaande namen werden `uit taalkundige en andere overwegingen' aangepast. Waarom de tong, een van de pijlers van de Nederlandse visserij, voortaan Gewone Tong moet heten, terwijl hij in wettelijke regelingen, het visserij-onderzoek en het handelsverkeer sinds jaar en dag als Tong te boek staat, ik zou het niet weten, maar bizar is het wel. Geen visser die zijn dure, exclusieve tong trouwens `gewoon' zal gaan noemen. Een verbeterde naam als Grijze Zeeduivel, die bovendien aan twee verschillende soorten is toegekend, is al even fictief en vooral geschikt om verwarring te zaaien, wat toch niet de bedoeling kan zijn van een gids die voor handboek wil doorgaan.

De verspreiding van de soorten is aangegeven op kaartjes en wordt kort beschreven. De auteurs zijn in het algemeen aan de royale kant en hebben zich weinig gelegen laten liggen aan een standaardbron als de Atlas of North Sea Fishes en recentere surveygegevens uit het internationale visserij-onderzoek. Het verspreidingskaartje van de vleet bijvoorbeeld, een kwetsbare roggensoort, en de tekst over zijn economisch belang wekken de indruk dat de soort in de wateren van Noordwest-Europa nog algemeen voorkomt. Wie tegenwoordig in de Noordzee een vleet vangt mag wel van een wonder spreken. Ook andere roggen hebben een kritische ondergrens bereikt, maar floreren in de gids vrolijk door. Bij een aantal traditionele commerciële soorten zoals kabeljauw en haring gaan de auteurs in op de gevolgen die overbevissing op de populaties in de Noordzee heeft gehad. Bij andere, zoals de even intensief beviste schol en schelvis, beperken ze zich tot vangstcijfers die zonder verdere referentie niets zeggen en volgend jaar alweer anders kunnen zijn.

Ten behoeve van de Nederlandse gebruiker is vermeld welke soorten `in ons land' voorkomen, dat wil zeggen in de kustwateren en boven het Nederlandse deel van het continentaal plat. Hoe de bewerking tot stand is gekomen wordt in het midden gelaten, maar blijkbaar heeft geen van de adviseurs zich geroepen gevoeld er eens een paar recente onderzoeksrapporten op na te slaan. De geselecteerde informatie is soms achterhaald (de vleet die zich vooral 's zomers zou vertonen, de lege eicapsules van de stekelrog op het strand) of slaat op Denemarken (de algemene koolvis, de jonge schelvis voor de kust). Jammer, want het had gemakkelijk zoveel nauwkeuriger gekund. Het Nederlands (voorheen Rijks-) Instituut van Visserijonderzoek – niet geraadpleegd, terwijl het adres nota bene achterin staat – had de gegevens over verspreiding en dichtheden zo kunnen verstrekken.

Van de bekendere soorten is de levenswijze beschreven. Het verhaal van de naar de Sargassozee trekkende paling is tot een klassieke mythe uitgegroeid en mocht dus niet ontbreken. ``Het is vrijwel zeker dat de palingen na het paaien sterven'', hoewel niemand daar echt iets van weet. Sympathieke plaatjes laten zien waaruit het hoofdvoedsel van een soort bestaat. Men gaat daar ver in, zoals bij de Groenlandse haai, die een alleseter is: een kabeljauw, een rog, een papegaaiduiker met de pootjes omhoog, een dode zeehond en een benzineblik(?).

Vis is zelf ook voedsel en wordt op vele manieren bereid, zoals kleine vignetachtige afbeeldingen illustreren. Vind je in een zoogdiergids doorgaans niet vermeld welke dieren tot pâté (of bontmuts) worden verwerkt, hier wemelt het van de tonnen (visolie), zakken (diervoeder), al dan niet opengewerkte conservenblikken, gerookte en gedroogde vis, vis op ijs en diepgevroren filets. De blikken gaan sinds de eerste uitgave uit 1966 mee, maar zijn onverminderd actueel. Ik heb mijn twijfels over de vaatjes levertraan, die nu nog uit de Doornhaai zouden worden geperst. Een kat in een vogelgids om de afmetingen van een ooievaar aan te duiden zou ondenkbaar zijn, maar hier kijkt een kat, smachtend als onder een nestkastje, tegen een tonijn van tweeëneenhalve meter op die realistisch aan zijn onderkaak is opgehangen. Je zou niet vreemd opkijken van een recept.

Bij alle aandacht voor de consumptiewaarde is een ander aspect onderbelicht gebleven: vissen vertegenwoordigen ook natuur. Door de beperkte kijk op het mariene leven doet de gids ondanks de modernisering gedateerd aan. In het algemene hoofdstuk over visserijtechnieken kan de lezer in detail kennismaken met haken waarmee vermoedelijk nog drie oude Groenlanders op kabeljauw vissen. ``Bij de kirby-haak is de punt naar links gebogen, maar voor de overige haken zit het verschil voornamelijk in de vorm van de boog.'' Over de boomkor komt hij nauwelijks iets te weten, terwijl alleen al de Nederlandse boomkorvloot uit zo'n 250 schepen van gemiddeld 2000 pk bestaat, het arsenaal zogenoemde Eurokotters tot 300 pk niet eens meegeteld. De Deense auteurs behandelen de boomkorvisserij als minor subject, hoewel die zich sinds het begin van de jaren zeventig explosief heeft ontwikkeld en een factor van belang is in de huidige exploitatie van tong- en scholbestanden. Het is bijna niet voor te stellen hoe men er ook in de bewerking aan voorbij heeft kunnen gaan.

Zeevisserij betekent in Nederland in de eerste plaats boomkorvisserij en hoort in een Nederlandse gids meer thuis dan de Deense snurrevaadvisserij of de ringnetvisserij in de fjorden. De negatieve neveneffecten van vistuigen, zoals onbedoelde bijvangsten van zoogdieren, vernieling van schelpdieren en andere bodemfauna, en sterfte van niet-commerciële vissoorten, hadden in deze tijd meer aandacht verdiend. Het is tegenwoordig niet louter een onderwerp van studie, maar een internationaal erkend probleem, dat in visserijkringen serieus wordt genomen.

Het laatste hoofdstuk gaat over visserijonderzoek en geeft een indruk van de leeftijdsbepaling van vis aan de hand van otolieten, merkexperimenten en het vaststellen van de omvang van een vispopulatie. Het lijkt of de auteurs de stof soms zelf niet helemaal doorgronden, laat staan dat zij die duidelijk kunnen uitleggen. Wat multispeciesonderzoek inhoudt zal voor de leek een raadsel blijven, want wat moet hij met abacadabra als ``In het meersoortenmodel worden bodemongewervelden als een geheel beschouwd, omdat opsplitsing ervan een overdonderende hoeveelheid extra informatie zou vragen en geven''. Misschien dringt toch het inzicht door dat die fraaie collectie wezens op de voorgaande pagina's in een zeker verband voorkomt, dat zij onderling en met andere zeebewoners in relatie staan en elkaars dichtheden kunnen beïnvloeden.

De nieuwe zeevissengids is een boek dat in een behoefte voorziet, maar nog meer een gemiste kans. Wie in mariene biologie geïnteresseerd is moet het zich bij gebrek aan beter wel aanschaffen.

Zeevissen van Noord- en West-Europa; Bent J.Muus, J⊘rgen G. Nielsen, Preben Dahlstr⊘m en Bente O. Nyström. Uitg. Schuyt & Co; Prijs: ƒ59,50.

    • Chantal van Dam