Wildpraten

Stilte! Werkcoupe!' meldt het stickertje dat de Nederlandse Spoorwegen op de deur van hun rook-alkoofjes in de eerste klas hebben geplakt. Roken, werken, eerste klas reizen en je mond houden, samengevat: een toestand waarmee ik me kan verenigen.

Ik zat eerste klas werkend stil te roken toen in Rozendaal de deur werd opengeschoven door een sportief geklede man van middelbare leeftijd. Hij trok zijn gsm, intussen ook mobieltje of mobi genoemd, prikte twee maal een nummer dat niet bestond (zoals aan het riedeltje te horen was), toen het goede en zei: `Helmuth! Gut'morgen. Olaf hier. Rufst du mich bitte sofort an auf meinem Handy. Tschüs!' Op het accent na klonk het authentiek Duits.

Nauwelijks was het apparaatje tot bedaren gekomen of hij belde opnieuw. `Jim! This is Olaf. Next thursday! Yes! That's on very short notice! And Paris! Even more problems!' Hij knikte, daar gaf Jim hem gelijk in. `But look here. We can manage! We will! I'm on the train to the airport. I'll get back to you.'

Nog geen halve minuut was Jim afgetoetst of: pringpring. `Olaf', riep mijn coupégenoot. Zekere Hans had zich gemeld. Hij was intussen ingeseind door Helmuth. Olaf en Hans wisselden van gedachten over afmetingen en dingen, voorwerpen die niet op elkaar pasten. Ook was er sprake van een aggregaat dat olie lekte. Het zat niet mee, maar Olaf verloor de moed niet, zocht opnieuw contact met Jim. Die had intussen Hans gesproken en wat hij gehoord had boezemde hem niet het ultieme vertrouwen in. Maar Olaf bleef achter Hans staan. De afmetingen werden gerechecked. Er moesten gaten worden geboord. Hans en Jim werden opnieuw kortgesloten. Of Jim en Helmuth. In ieder geval ging het na een paar minuten weer pringpring bij Olaf. Yes Jim! I told you!

Zo ging het door, met alleen een pauze als onze werkcoupé in een tunnel reed. Ik had mijn ogen dicht gedaan, deed alsof ik sliep, liet af en toe een lichte snurk horen om Olaf niet achterdochting te maken. Intussen dacht ik steeds dringender: Waar gaat het over? Olaf zat daar als een veldheer zijn troepen te dirigeren en voorzover ik uit zijn woorden en de intonatie van zijn stem kon opmaken, verliep de veldtocht steeds beter. Maar waartoe, waarheen? Dingen die niet op elkaar pasten, gaten boren, lekkende olie, Duitsers, Engelsen, Parijs. Het leek me een internationaal congres, een symposium, work shop, studiedag, conferentie, get together, exchange program, mondiaal gebeuren. Maar wat, waarover? Kwelling.

Ik nam mijn toevlucht tot het ultieme middel, het absolute wapen, zeiden we in de Koude Oorlog. Ik greep mijn gsm, prikte het nummer van mijn antwoordapparaat en zei: `Harry hier. Ik zit in de trein naar Schiphol. Hoor je me? Okee! Dat congres in Parijs, zitten we nog in de inschrijving? Okee! En die aggregaat van ons lekt toch geen olie? Aha! Nooit gelekt. Weet niet eens wat lekken is. Uit-stee-kend. Dan ga ik nu Tony in Londen bellen en Chuck in New York! En Maurice in Parijs.'

Nee, dat deed ik niet. Er begon iets in mijn geheugen te dagen, een toneel, een tafeltje met een telefoon, en op een stoel een van onze grote actrices. Mary Dresselhuys? Als dit stukje ter perse is, zal het me wel te binnen schieten. Ze houdt een monoloog, adembenemend, ten slotte hartbrekend. Ovationeel applaus. Voor zulke éénakters hoef je niet meer naar de schouwburg. Je gaat in een stiltecoupé zitten, en voor je twee stations verder bent, zit je tot je oren in een voorstelling. Om nog een voorbeeld te geven: ongeveer een jaar geleden, in de trein naar Enschede zat ik tegenover een gezond blozende man van een jaar of 35, type krachtpatser, veel versieringen, maar met goedaardige oogopslag. In zijn zak klonk het Für Élise. Hij bracht het apparaatje aan zijn oor, wat hij hoorde deed in zijn gezicht de zon doorbreken. Hij riep: `Bill! Jesuschrist, Bill! You're free! You're free!' Zelden zie je in de trein zoveel opgetogenheid. Ze zouden elkaar op het station ontmoeten. Hij prikte af en nog altijd met dezelfde opgetogenheid zei hij tegen mij: `Dat was Bill. Dertien maanden in de lik gezeten, in Duitsland. Hij is vrij.' Waarvoor in de lik, vroeg ik. Hij was gepakt bij de export-import van een partij nederwiet.

In de film wordt om de haverklap gemobield. Dat dient meestal om degene die het doet een zekere allure te geven, of om de toeschouwer nog duidelijker te maken in welke stemming, staat van urgentie de mobieler verkeert. Het telefoontje is toegevoegd gereedschap, katalysator. Maar de gsm als apparaat met een wezenlijke functie in de intrige? Het toneel is een treincoupé, daar zit de held ongeremd te mobielen en terwijl hij zo bezig is, voelen zijn medepassagiers zich sterker tot onweerstaanbaar bij zijn gesprekken betrokken. Daaruit ontstaan de verwikkelingen. Alles is mogelijk. Het kan een blijspel worden, een tragedie, een drama van doortrapte misdaad. In de tijd van Hitchcock bestond het zaktelefoontje nog niet zoals wij het nu kennen. Nu is het waarschijnlijker algemener dan de fiets.

Tegelijkertijd zijn de mensen ongegeneerder geworden. Telefoneren met de gsm heeft vaak iets van wildpraten. Er zijn mensen die zich eraan ergeren. Ik kan het me voorstellen, maar voor een toneelschrijver op zoek naar een onderwerp lijkt me zo'n werkcoupé een zegen.

Op Schiphol ging Olaf eruit. Ik keek hem na. Verder mobielend werd hij door de roltrap opgeheven. Zakenman op roltrap naar mainport. Ik onderging het als een afscheid. In de stilte van de werkcoupé liet hij een leegte achter.

    • S. Montag