Van lijk tot pop

In het depot van Museum Boerhaave liggen talloze stukjes geschiedenis van de natuurwetenschap opgeslagen achter gordijnen en in ladenkasten. Zoals een wasmodel van de spijsvertering van Jules Talrich.

WIE IN DE Renaissance wilde weten hoe de mens er van binnen uitziet, had een mes nodig en een lijk. En flink wat lef: een pauselijk decreet uit 1300, dat het stuksnijden van lijken op last van uitsluiting van de heilige sacramenten verbood, liet zijn invloed nog altijd gelden. Maar een nieuwgierige anatoom trok zich daar weinig van aan en in naam van de wetenschap stal hij 's nachts een vers gehangen lijk van de galg en sleepte dat stiekem naar huis om er zijn voordeel mee te doen.

Zo'n waaghals was de Vlaamse anatoom Andries van Wesel (1514-1564), beter bekend onder de naam Andreas Vesalius. Tijdens zijn studie in Leuven en Parijs had hij op clandestiene wijze beslag weten te leggen op menselijke kadavers – meestal terechtgestelde misdadigers – en thuis zette hij zich aan het snijden om de precieze ligging van botten, spieren, organen en ingewanden te achterhalen. In 1543 publiceerde hij zijn bevindingen in De Humani Corporis Fabrica, een revolutionair boek met 70 schitterende gravures op folioformaat die de menselijke anatomie in al zijn details weergaven – de `spiermannen' inspireerden zelfs Titiaan. Eindelijk kon iedereen met eigen ogen zien dat de klassieke theorieën van Galenus en de zijnen lang niet altijd strookten met de werkelijkheid.

Na het baanbrekende werk van Vesalius groeide de anatomie in de zeventiende eeuw uit tot een deftig vak, getuige ook Rembrandts Anatomische les uit 1632. Om de organen tot in de kleinste details te kunnen bestuderen, maakte de anatoom gebruik van vaatinjectie. Bloed- en lymfevaten werden opgespoten met gesmolten was, vermengd met schapenvet en rode kleurstof. De vloeistof drong door tot in de fijnste vaatjes en na afkoeling leek het net of het desbetreffende orgaan of lichaamsdeel met bloed was gevuld. Na vertering bleef de gestolde opspuiting over. Een meester in het maken van zulke preparaten was Frederik Ruysch (1658-1731). Hij richtte diverse kabinetten in die door Peter de Grote zijn opgekocht.

Diezelfde tijd kwam de ceroplastiek tot bloei, de kunst van het wasmodelleren met het doel de menselijke anatomie uit te beelden. Wasmodellen werden volop gebruikt in het onderwijs, waar ze een welkome driedimensionale aanvulling vormden op de anatomische atlassen. Als basis werd uitgegaan van bijenwas waaraan een scheutje terpentijn werd toegevoegd. De gesmolten was werd in een mal gegoten en om de levensechtheid van de modellen te vergroten kregen ze glazen ogen en menselijke haren. Ateliers in Florence en Bologna leverden zeer fraaie exemplaren, onder meer van dames in bevallige houdingen met op hun buik hun darmenstelsel.

In Nederland werd de wasmodelleerkunst op hoog niveau beoefend door Petrus Koning (1787-1834). Toen deze prosector (voorsnijder) van de Utrechtse hoogleraar Bleuland in 1816 een Florentijns wasmodel van een zwangere vrouw zag, dat op rondreis door Europa voor enkele dagen Utrecht aandeed en voor een gulden bezichtigd kon worden, was hij diep onder de indruk. Hij bezocht twee lezingen die professor Suerman voor het Utrechts Natuurkundig Gezelschap aan het wasmodel wijdde – een primeur voor Nederland – en op verzoek van dezelfde Suerman maakte Koning in 1820 zijn eerste model. Binnen tien jaar had hij er 183, waaronder 110 zoogdieren, vogels en vissen. In technisch opzicht konden ze wedijveren met de fraaiste exemplaren uit Italië.

De populariteit van wasmodellen had ook te maken met een groeiende schaarste aan menselijke kadavers: ook bij het onderwijs in de heelkunde en in de pas opgerichte klinische scholen waren ze in gebruik. Bovendien waren lijken nogal lastig te conserveren en boezemden ze angst in. In de pathologische anatomie betekende een wasmodel soms zelfs een uitkomst: een steenpuist op sterk water bleef niet goed en aanschouwelijk onderwijs aan de hand van was had het extra voordeel dat een typerend geval kon worden getoond van afwijkingen die vele variaties kenden.

Het hier afgebeelde wasmodel van de spijsvertering is van de hand van Jules Talrich (1826-1904). Die had het vak geleerd van zijn vader en werkte onder meer voor het anatomisch museum van de École de Médicine in Parijs, waar zijn creaties een vaste plaats hadden in het onderwijs in de anatomie en de chirurgie. Ook opereerde Talrich met succes op de vrije markt. Zijn modellen, die regelmatig op internationale tentoonstellingen in de prijzen vielen, waren een fraaie aanwinst voor rariteitenkabinetten en zelfs doken ze op in gruwelkamers op kermissen. Toen onlangs zo'n kermiscollectie in Parijs onder de hamer kwam, vond een aantal van Jules' werkstukken alsnog zijn weg naar het museum.

Wasmodellen waren een streling voor het oog, maar het nadeel was dat ze zo kwetsbaar waren. Om die reden werkte de Parijse arts Louis Thomas Jérôme Auzoux (1797-1880) met papier-maché. Op zoek naar een vervanging van de tere was stuitte hij op een poppenfabrikant die uit dit goedkope, eenvoudig te bewerken materiaal zeer levensechte gezichten modelleerde. Zijn eerste model volgens de nieuwe techniek presenteerde Auzoux in 1820 bij de Académie de la Médicine et de la Science. Het oogstte ogenblikkelijk succes. De bestellingen stroomden binnen en Auzoux' modellen van papier-maché vonden op grote schaal hun weg naar ziekenhuizen, veterinaire scholen, middelbare scholen en kunstacademies. Pièce de résistance was een uitneembare man van 1,95 meter, bestaande uit 129 stukken waarop 1.115 anatomische onderdelen te onderscheiden waren.

Intussen is papier-maché verdrongen door kunststof, bij uitstek geschikt voor massaproductie. Op veel middelbare scholen beschikt het kabinet biologie nu over een `Henk' of een `Annie' – het verschil is vaak moeilijk te zien – die goedkoop is en onverwoestbaar. Een pop van papier-maché mag in levensechtheid en aanwezige details superieur zijn aan een van plastic, geld telt en het atelier van Auzoux heeft zich onlangs genoodzaakt gezien de productie van anatomische modellen te staken.

Dit is deel 11 van een maandelijkse serie over voorwerpen uit het depot van Museum Boerhaave. Het voorwerp staat voor de gelegenheid in het museum opgesteld. Adres: Lange St. Agnietenstraat 10, Leiden. Geopend di t/m za 10-17u, zo 12-17u.

    • Dirk van Delft