Sportbanenplan kwestie van geld

De sportverenigingen in Nederland kampen met een gebrek aan mankracht en kennis. Toch is door de clubbestuurders met scepsis gereageerd op het PrinS-project, een banenplan van NOC*NSF.

Geen land heeft een bloeiender verenigingsleven in de sport dan Nederland. Ter bescherming van dit `kostbare goed', zoals NOC*NSF-bestuurslid Ruud Vreeman het typeert, moeten volgens de sportkoepel beroepskrachten binnen de organisatie van de clubs worden ingezet. ,,De nood is hoog, het tij gunstig'', staat er in het banenplan, het PrinS-project, dat deze week werd gepresenteerd. Veel clubbestuurders zijn sceptisch of afwijzend.

Meer dan de helft van de 250 ondervraagde besturen uit vijftig takken van sport heeft negatief gereageerd op het plan om betaald personeel in te schakelen. Elf procent noemt het project `bedenkelijk'. Conclusie in het onderzoek van NOC*NSF: ,,Veel bestuurders kunnen zich eenvoudig niet voorstellen dat hun vereniging toe is aan een proces van professionalisering. Ze zien beren op de weg of kijken de kat uit de boom.'' Vreeman, binnen het NOC*NSF-bestuur verantwoordelijk voor de breedtesport, verduidelijkt: ,,De besturen moeten beseffen dat er in de nieuwe tijd kwaliteit moet worden geleverd om de leden te behouden.''

De initiatiefnemers hopen dat een succesvol banenproject bij andere verenigingen meer bestuurders zal overtuigen van nut en noodzaak. In het oorspronkelijke plan wordt uitgegaan van 5.000 banen. Dat zou één fulltimer per 900 sporters betekenen, of één fulltimer per zes clubs. Na de negatieve reacties is het streefgetal van het aantal professionals bijgesteld tot 2.700. Voorlopig richt men zich op de groep die wel openstaat voor de professionalisering. Afgezet op grote schaal gaat het dan om ongeveer 12.650 van de 29.000 sportverenigingen in Nederland.

De bestuurders hebben vooral moeite met een contributieverhoging. Die is nodig om de professionale kracht gedeeltelijk te bekostigen. Het andere deel moet voor rekening van de overheid komen. De bijdrage van de clubs zou volgens het plan in vier jaar tijd moeten oplopen van twintig naar tachtig procent van de totale kosten. Dit komt uiteindelijk neer op een maximale extra bijdrage van vijftig gulden per lid. ,,Een avondje aan de bar na de training kost al 25 gulden'', stelt Vreeman. Hij vindt dat er voor minder draagkrachtige leden een aparte regeling moet worden getroffen.

Onderzoeker Jan Janssens van het bureau Diopter zegt de terughoudendheid van de clubbestuurders wel te begrijpen. ,,Zij moeten de ledenvergadering voorstellen de contributie te verhogen. Daar verzetten clubs zich altijd tegen. Het innen van de contributie gaat ook niet altijd even gemakkelijk.'' Janssens vindt het opvallend dat een meerderheid van de leden positief reageert. In het onderzoek zegt 76 procent van de ondervraagde leden en ouders van jeugdleden begrip te hebben voor een contributieverhoging. Het percentage bij de ouders is nog hoger, 83 procent. ,,De vraag is of de mensen straks daadwerkelijk bereid zijn meer te betalen'', realiseert Janssens zich.

Bij eerdere onderzoeken had Janssens al geconstateerd dat de verenigingen een gebrek aan kennis en mankracht hebben. Deze situatie blijkt eerder te zijn verslechterd dan verbeterd. Bij het banenplan moeten de professionals vooral de vrijwilligers binnen de organisatie van een club ondersteunen en begeleiden. Uit het onderzoek blijkt dat de geïnteresseerde bestuurders de betaalde krachten – de kosten van een professional in de sport worden op 100.000 gulden per jaar geschat – op vele gebieden zouden willen inzetten. Voorbeelden zijn de ledenwerving, de financiële administratie en het opstellen van beleidsplannen. De werving van sponsors en adverteerders wordt in dit verband het meest genoemd. Volgens de onderzoekers getuigt dit van ,,een zeker opportunisme'' bij de verenigingsbestuurders.

Sommige bestuurders hebben een probleem met de situatie dat er binnen de organisatie van een club temidden van goedwillende vrijwilligers één iemand wél wordt betaald. Volgens Vreeman zal dat in de praktijk meevallen. ,,Nu wordt bij een vereniging de trainer van het eerste team toch ook betaald en de jeugdleider niet? Die mengvorm kan ook op andere gebieden werken. Vergeet niet dat de professional het de vrijwilligers meer naar de zin moet maken. Hij neemt hen klussen uit handen die ze vervelend of moeilijk vinden.''

Meerdere malen wordt in het onderzoek gesteld dat de vrijwilligers – naar schatting een miljoen mensen – de kurk moeten blijven waarop het verenigingsleven in de Nederlandse sport drijft. Het rapport pleit voor een mogelijke waardering voor de vrijwilligers door hun contributiekorting aan te bieden. Van de ondervraagde leden noemt 64 procent dit een goed idee.

NOC*NSF wil na het uitbrengen van het banenplan ,,een stimulerende rol'' blijven spelen. Maar de volgende stap moet nu van de lokale en regionale overheden komen. Vreeman, burgemeester van Zaanstad, denkt daarbij aan de wethouders van sport binnen de gemeenten. De initiatiefnemers realiseren zich ook dat er jaren overheen gaan, voordat ook de minimale variant van 2.700 banen in haar geheel is gerealiseerd.

Hans Gootjes, hoofd sportontwikkeling van NOC*NSF, is al tevreden als er voor het einde van volgend jaar 200 professionals werkzaam zijn. Hij hoopt daarna op een `olievlekwerking'. ,,We moeten niet te ongeduldig zijn, maar als er niets gebeurt hebben we daar over tien jaar zeker spijt van.''

    • Hans Klippus