Speculatie of beleid

SPECULATIE. Het woord alleen al is genoeg om morele verontwaardiging en politieke scherpslijperij op te roepen. Dat geldt in financiële markten, waar speculanten bij tijd en wijle verantwoordelijk worden gehouden voor muntcrises, hypes in aandelen en andere kwaden. Het geldt des te sterker als het om grond gaat. Grond is de voedingsbron van gewassen, de bewaarder van mineralen en de bodem waarop mensen wonen en zich bewegen. Grondspeculatie druist in tegen het gevoel dat de aarde van ons allemaal is. Daarom heeft grondpolitiek niet alleen een economische, maar ook een emotionele betekenis.

De grondpolitiek is weer actueel nu het kabinet onder regie van minister Pronk (VROM) bezig is de laatste hand te leggen aan de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Deze zal in mei uitkomen en ongeveer tegelijkertijd zal het kabinet voorstellen presenteren voor aanpassingen van de grondpolitiek. Het kabinet wil een herhaling voorkomen van wat gebeurde bij de Vierde Nota Extra, toen projectontwikkelaars en financieringsmaatschappijen in hoog tempo landbouwgrond opkochten die bestemd was voor de bouw van zogenoemde `Vinexlocaties'. Het gevolg hiervan was enerzijds dat de projectontwikkelaars forse winsten konden maken op grond die ze kort daarvoor hadden opgekocht, en anderzijds dat de bouw op de locaties veel duurder uitviel dan voorzien.

IN DE VIJFDE nota gaat het niet alleen om de aanwijzing van woningbouwlocaties, maar ook van gebieden voor de aanleg van infrastructuur. Niemand zit er op te wachten dat handige projectontwikkelaars de winst opstrijken die voortvloeit uit deze publieke bestemmingsveranderingen. Grondpolitiek is een beladen onderwerp in Nederland. Drie keer – het vierde kabinet-Drees in 1958, het kabinet-Cals/Vondeling in 1966 en het kabinet-Den Uyl in 1977 – sneuvelde een confessioneel-links kabinet (in)direct op dit thema. Telkens liepen pogingen van de PvdA om de grondpolitiek aan te pakken stuk op de macht van wat indertijd de `ijzeren driehoek' werd genoemd – Kamerleden met een agrarische achtergrond, het Landbouwschap en het ministerie van Landbouw. Met name de toenmalige KVP en ARP – later het CDA – stonden pal voor de belangen van de boeren. Als de sociaal-democraten probeerden om de grondpolitiek in progressieve zin te wijzigen, verdween de PvdA uit de regering, concludeerde politicoloog Jouke de Vries in 1989 in zijn proefschrift Grondpolitiek en kabinetscrises.

Waar draait het om? Om de waardevermeerdering van de grond die optreedt als de bestemming ervan verandert. Als de overheid braakliggende grond of landbouwgrond aanwijst voor woningbouw of bedrijfsterreinen, of als er nieuwe infrastructuur wordt aangelegd, stijgt de prijs. Die stijging is het verschil tussen de `verkeerswaarde' (de marktprijs) en de `gebruikerswaarde' (de agrarische prijs). De politieke conflicten in de grondpolitiek draaien om de vraag wie deze prijsstijging toevalt – de boeren, de `speculanten' of de `gemeenschap'.

SOCIALISTISCHE bewegingen streven al sinds de negentiende eeuw naar `socialisatie van de grond', terwijl de confessionelen, met oog voor de belangen van de boeren, vasthouden aan het particuliere `rentmeesterschap' over de grond. In 1975 verklaarde de toenmalige voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, Van Thijn, de grondpolitiek tot een van de vier linkse maatschappijhervormingen. Twee jaar later sneuvelde het kabinet-Den Uyl op de grondpolitiek, maar bizar genoeg nam het kabinet-Van Agt/Wiegel in 1980-'81 wetgeving aan die nauwelijks afweek van de voorstellen die in 1977 tot de breuk hadden geleid.

Begin jaren negentig bleek dat het voorkeurrecht van gemeenten toch niet goed was geregeld. Er bestaat nu brede overeenstemming dat een herhaling van de winstnemingen die toen plaatshadden op de Vinexlocaties, moet worden voorkomen. Het was de projectontwikkelaars wel heel makkelijk gemaakt. Er is ook een fundamenteel verschil met de jaren zeventig: de confessionelen staan buiten de regering en de macht van het `groene front' is afgenomen.

De waardestijging van de grond moet dus worden afgeroomd, maar zo eenvoudig is dat niet. Een vergelijking met belastingheffing op vermogenswinsten dringt zich op. De bewindslieden Zalm en Vermeend (Financiën) hebben in hun nieuwe belastingplan afgezien van een vermogenswinstheffing, omdat dit fiscaal vrijwel onuitvoerbaar is. Ingewikkelde constructies voor de grondprijzen werken niet of zullen worden ontdoken. Bovendien: waarom zou de marktwerking die de gewoonste zaak van de wereld is wanneer het gaat om andere goederen en vermogensbestanddelen, niet opgaan voor grond? Algemeen eigendom van de grond in gemeenschapshanden is met de Berlijnse Muur begraven.

ANDERZIJDS: er blijft iets wringen. De overheid verandert de bestemming van de grond in het kader van de ruimtelijke ordening, en particulieren (in casu projectontwikkelaars) strijken de winst op. Dit kan worden tegengegaan met een wetswijziging voor een beter uitgewerkt voorkeurrecht voor gemeenten, met maatregelen tegen gebruik van voorkennis en met een generieke heffing om de meerwaarde aan te pakken. Maar helemaal opgelost wordt het dilemma nooit, omdat het ene gebruik van de grond in het economische verkeer nu eenmaal meer waard is dan het andere. De staat kan slechts in samenwerking met particulieren optreden. Nederland heeft tenslotte een economische ordening gebaseerd op de markt.