Sommige meneren

Met moeite sprokkel ik mijn inkopen bij elkaar. Een vierjarige wil niet winkelen, maar spelen. Dat moet ik kunnen begrijpen. Alsof ze met radar uitgerust is, holt ze van het ene wiebel- en schommelspeeltuig naar het andere. Ze staan, verlokkend gekleurd, her en der opgesteld in het winkelcentrum.

Ik oefen in geduld en tolerantie. Voor geen goud laat ik haar alleen, maar er zijn grenzen. De meeste zaken sluiten om zes uur en het is inmiddels kwart voor zes geworden. Nog juist kan ik mijn bestelling bij de boekwinkel aan de overkant afhalen. Helaas. Ver buiten mijn blikveld heeft zij weer een hobbelpaard ontdekt en bestegen.

Ga maar, zegt ze, ik wacht hier écht op je.

Nu ben ik onverbiddelijk en zeg dat ze mee moet gaan.

Ze blijft zitten en wenst onder protest uitleg.

Wat nu te doen. Moet ik mijn angst voor een mogelijke onverlaat overbrengen aan een kind, nog vol vertrouwen in de mensheid?

Aarzelend begin ik: ,,Sommige meneren vinden kleine meisjes heel lief. Zo'n meneer wil graag dat je met hem meegaat. Maar dan kun je niet meer bij mama en papa wonen.'

Verdere uitleg blijft me bespaard. Ze glijdt vliegensvlug van het hobbelpaard, pakt mijn hand en loopt braaf mee naar de winkel.

Bij de kassa staat een keurig geklede, oudere heer. Ik zie haar vorsende blik. Tegenhouden lukt niet meer. Ze wringt zich langs hem heen en bekijkt hem aandachtig. Ik ken haar directe wijze van benaderen en houd de adem in.

Dan roept ze: ,,Oma, is dat een sommige meneer?'

Hij keert zich naar mij om en glimlacht vergoelijkend: ,,Grootouders onder elkaar.'

Sommige meneren

Bij het stukje `Sommige meneren', op de Achterpagina van 6 november, is de naam van de auteur weggevallen. Het stukje is geschreven door Wil Prakken-de Weerd.

    • Wil Prakken-De Weerd