Slechte planten

Harold Hume heeft eens geschreven over de hulst: `Wat is mooier dan een volop vruchtdragend exemplaar met zijn glimmende besjes tegen de achtergrond van een besneeuwde tuin?' Ik denk daar soms aan wanneer ik kijk naar mijn eigen hulst, die op de wereld is gezet om Hume te logenstraffen. Hij is mijn boetekleed, niet mooi en niet volop dragend. De paar bessen die hij heeft, zijn al voor ze rood zijn opgegeten door de vogels, we kunnen maar nauwelijks een fatsoenlijk takje vinden voor de kerstpudding. Dat de tuin zelden met sneeuw bedekt is, kan de hulst niet helpen, maar zelfs dan is er nauwelijks verbetering merkbaar.

Zeer zware sneeuwval zou het beste zijn, dat zou een zo dikke deken over de hulst leggen dat je zijn ernstigste gebrek niet meer kunt zien, namelijk dat er aan zijn blaadjes geen stekels zitten. Waartoe hulst met gladde blaadjes? Zelfs op de kerstpudding misstaat hij. De onze heeft bovendien een neiging tot hangen, alsof hij een treurhulst wilde zijn. Het is een slechte plant, maar hij is ook groot en beneemt het uitzicht op de compostbak; hij mag dus nog even blijven, tot de bamboezaailingen groot genoeg zijn om hem te vervangen.

De categorie `slechte planten' bestaat wel degelijk, hoewel ieder zijn eigen idee zal hebben welke het zijn. Een plant die ik heel lang slecht heb gevonden is de polygonum of duizendknoop. Iemand vertelde me eens dat het verschrikkelijke woekeraars waren, op zo'n vinnige toon dat ik er nog jaren later in andermans tuinen naar keek en me afvroeg wie zo dom kon zijn zo'n plant vrijwillig de ruimte te geven.

In een poging de nomenclatuur op te schonen zijn de meeste polygonums onlangs omgedoopt tot persicaria (een paar zijn er fallopia), een van de meest ergerlijke naamsveranderingen die er zijn, omdat zij gepaard gaat met een verandering van geslacht. Tekstverwerkingsprogramma's kunnen in een oogwenk polygonum in persicaria veranderen, maar niet `amplexicaule' in `amplexicaulis', met het gevolg dat je vaak verwijzingen ziet naar de geslachtelijk intrigerende Persicaria amplexicaule. In Méér Droomplanten (Uitgeverij Terra) wijzen Henk Gerritsen en Piet Oudolf erop dat deze naamsverandering ook `een totaal foute associatie [oproept] met het perzikkruid (vroeger Polygonum persicaria), een lastig onkruid waarvan het zaad honderden jaren in leven blijft, zodat overal waar je een spa in de grond steekt, perzikkruid als eerste onkruid de kop opsteekt'. Ikzelf had die verwarring met perzikkruid niet nodig om te denken dat duizendknoop slecht is, dat geloofde ik toch al.

Eén ding dat je kunt doen als je een mogelijk gevaarlijke plant in de tuin wilt proberen, is hem ergens neerzetten waar de omstandigheden niet echt gunstig voor hem zijn: een beetje te droog, of te schaduwrijk. Dat deed ik met mijn Persicaria amplexicaulis, toen ik er twee jaar geleden eindelijk een had gekocht. Het is gek, hoe lang je eerste idee van een plant kan blijven hangen; ondanks het vele dat ik in boeken had gelezen, over wat een goede plant het is en hoe anders dan zijn losbandige verwanten, kocht en plantte ik de mijne toch nog alsof het een slechte plant was, alsof hij de hele tuin in bezit zou kunnen nemen zodra ik me omkeerde.

Dat deed hij niet natuurlijk, althans nog niet. Het droge donkere plekje bleek na het snoeien van de kastanjes omgetoverd tot een lusthof, en de persicaria ontpopte zich nu als een uitzonderlijk goede plant. Hij heeft maanden gebloeid en bloeit ook nu nog. Hij is prachtig om te zien, met een vorm en groeiwijze zoals van geen enkele andere plant. Ik kocht hem met de gedachte dat hij een leemte zou opvullen en zou tieren op een plek waar maar weinig kon gedijen, maar hij is een ware attractie geworden. De bloemen zijn helrood – de mijne is een variëteit die `Firetail' heet; er zijn er meer, zoals een witte soort, `Alba', en een roze, `Rosea' – en qua vorm duidelijk familie van de flessenborstel. De bladeren zijn onloochenbaar grof, in de vorm van een langgerekt hart en niet erg boeiend van kleur of textuur. Maar het wonderlijkste is de stand van de stelen, een ietsje schuin, eerst horizontaal op grondniveau, en dan met een allersierlijkste opwaartse zwaai, als oefenregels in schoonschrift. Ze doen denken aan mensen met een voortreffelijke houding, een groepje mannequins misschien, of de mensen in zwarte en witte kleren bij de paardenrennen in de filmversie van My Fair Lady.

Het is een plant die het schitterend doet in grote groepen, hoe groter hoe beter, en die eruit ziet of hij zelf voor zijn expansie zal zorgen. De mijne zijn al heel wat groter dan ze waren. Hij wordt vaak samen met asters geplant en staat bijzonder fraai en uitbundig tussen allerlei grassoorten op een foto in het oorspronkelijke Droomplanten-boek van Gerritsen en Oudolf. Hun mening erover is tussen die twee boeken trouwens omgeslagen. Eerst was het een `grote, wat slappe plant', nu `behoort hij tot de allerbeste tuinplanten die er zijn'.

Toch een goede plant dus. Maar hoe zit het met mijn hulst? Komt die ook in aanmerking voor verschoning? Nee, die hulst is echt een slechte plant: je ziet het meteen en je weet dat het hem ook slecht zal vergaan. Waar hij me eigenlijk nog het meest aan doet denken is de hond in de cartoon van Gary Larson, waarop een groepje mensen wachtend in het voorportaal van de hel is te zien, met een slapende hond aan hun voeten. Een van de mensen zegt tegen een ander: `His story? Well, I dunno... I always assumed he was just a bad dog.'