Republikeinse bobo

Een bobo die de grondwet wil wijzigen: wat een schitterende ambitie! Sport en politiek op gelijke hoogte, de wereld is eindelijk in evenwicht. Met dank aan Hans Blankert, de nieuwe preses van NOC*NSF.

Je moet maar durven in een land waar de koningin een `ijsheilige' wordt genoemd. Jawel, Willem-Alexander doet er als IOC-lid zijn voordeel mee, maar raken aan Prinsjesdag was tot voor kort heiligschennis. Blankert ziet dat anders. Hij wil het tijdstip van Prinsjesdag volgend jaar met een week vervroegen om de kroonprins en de kabinetsleden ongehinderd te laten genieten van de Olympische Spelen in Sydney die op de derde dinsdag van september nog volop aan de gang zijn. Brood en spelen versus de constitutionele democratie, de meest verwilderde republikein had het niet bedacht. En ook Anton Geesink, democraat in z'n eentje, zou het nooit gewaagd hebben om met de opening van het parlementaire jaar te jojoën voor de koninklijke en ministeriële glans van een gewichtheffer, een kogelstoter en een hoogspringer.

Of was het provocatieve voorstel van de mandarijn Blankert een zwaktebod? Het geeft te denken dat een aantredende voorzitter van NOC*NSF zich in zijn eerste beleidsdaad richt tot Wim Kok en in hem tot Majesteit en Willem-Alexander. Waarom niet, voor alles, een monter en hartelijk woordje gesproken tot de sporters? Zij zijn toch het kroonjuweel van Papendal. Wie wordt er nou preses van een sportkoepel om de parade van kroonprins en ministers in Sydney in goede banen te leiden? Daar zijn andere mensen voor.

Hans Blankert is een aimabel man. Hij heeft de juiste tred om zich tussen excellenties en nog hoger volk te begeven. Allicht kan hij een begroting lezen en met zijn relaties in de zakenwereld zit het ook goed. De aristocratisch grijze slapen maken hem als handelaar in goodwill nog vertrouwenwekkender. Om voor het NOC*NSF geld in het bakje te krijgen is Blankert de juiste man op de juiste plaats. Maar is dat dan de prioriteit van deze sportkoepel? Sporters zijn ongevoelig voor de noblesse van een mooie carrière en invloedrijke vrienden. Belangrijker is dat ze zich herkend weten in hun lijden en hun glorie, in hun lef en wankelmoedigheid. Dat type voorzitter hebben ze bij het NOC*NSF in geen jaren meer mogen begroeten. Wouter Huibregtsen was een kille manager, Joop van der Reijden een arrangeur van dorpsvetes.

Anton Geesink heeft veel pluchelucht om zijn imponerende verschijning hangen, maar hij heeft onverminderd de oogjes van een kampioen: razende pupillen. En Ard Schenk weet nog steeds als geen ander dat topsporters evenveel met hun spieren denken als met hun hoofd. Het moet nog blijken of Hans Blankert zich in de irrationaliteit van deze inner circle kan inleven. Winst en verlies in de sport zijn tenslotte niet per CAO te decreteren.

Gevoel voor humor heeft hij wel. Blankert liet de bonden weten dat ze hem tot voor zijn aantreden een `klootzak' mochten vinden, maar eens als zittende preses was dergelijke taal voor de communicatie met de buitenwereld uit den boze. Nou ja meneer Blankert, dat is een te kronkelige redenering voor het sportmilieu. Daar heerst de wet: eens een klootzak, altijd een klootzak. Overigens zijn de bestuurders van de sportbonden meestal niet zo openlijk in hun belijdenissen. Concurrenten of vijanden worden niet met naam en toenaam gestigmatiseerd, ze worden weggeroddeld met het machtigste wapen uit de geschiedenis: de onherstelbaarheid van de insinuatie.

Hans Blankert zal ogen in de rug moeten hebben want het NOC*NSF is inderdaad een slangenkuil. De kroonprins, Wim Kok, Erica en de anderen zullen hem op de hobbelige weg naar Sydney minzaam toelachen, maar zullen verder geen hand uitsteken als de slangenkuil zich roert. Op de Tweede Kamerfractie van de SGP kan hij ook niet meer rekenen. Die voelt zich beledigd door Blankerts gerommel met Prinsjesdag.

Negenenvijftig is hij inmiddels en nu pas zal Hans Blankert leren wat eenzaamheid is.

    • Hugo Camps