Rekenregels voor belastingplichtigen

`Premies voor lijfrenten zijn alleen aftrekbaar bij een pensioentekort' orakelt de informatiebrochure van het ministerie van Financiën over de Belastingherziening 2001. `Veel te ingewikkeld', werpen de verzekeraars tegen. Maar voor wie is het ingewikkeld?

Jarenlang al wordt Nederland aan het einde van het jaar, in maart (rond de belastingaangifte) en in juni door de verzekeraars bestookt met kreten als: `Het is weer tijd voor een flinke aftrekpost. Neem nu een koopsompolis'. De Nederlander kan tot zo'n 6.000 gulden lijfrentepremie aan een verzekeraar betalen en aftrekken voor de inkomstenbelasting. Enkele miljarden guldens zijn er mee gemoeid. Geld, dat gestald wordt bij verzekeraars en waarover (nu) dus geen belasting wordt betaald. Over het nut van de lijfrenteverzekering wordt nauwelijks gesproken, behalve dat dit voor later een leuk appeltje voor de dorst zou opleveren. De verzekeraars spelen zo handig in op het gevoel van de Nederlander dat de fiscus toch vooral een pootje gehaakt zou moeten worden. Dat heeft de bewindslieden op Financiën ertoe gebracht te gaan zoeken naar een systeem, waarbij niet zomaar van de lijfrenteaftrekmogelijkheid gebruik zou kunnen worden gemaakt.

De vage omschrijving in de informatiebrochure heeft heel wat Nederlanders aan het schrikken gebracht. Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel blijkt echter dat de soep niet zo heet gegeten wordt als hij wordt opgediend. Om te kijken of de belastingplichtige vanaf 2001 nog voor lijfrenteaftrek in aanmerking komt zijn rekenregels bedacht.

Er is sprake van een `jaarruimte' en een `inhaalruimte'. Bij de jaarruimte kan de (maximaal toegestane) lijfrenteaftrek bepaald worden via de formule: 15 % x (premiegrondslag f 30.473) min FOR-dotatie min `7,5 A`. De premiegrondslag is (eenvoudig gezegd) het inkomen dat met werken (ook via een winst uit onderneming voor zelfstandigen) verdiend wordt. Daarvan moet 30.473 gulden afgetrokken worden omdat de overheid ervan uitgaat dat tegenover dat deel van het inkomen de AOW al voor een oudedagsinkomen zorgt. De dotatie aan de Fiscale Oudedags Reserve is een mogelijkheid voor zelfstandigen om belastinguitstel te krijgen en daardoor wat aan de oudedagsvoorziening te doen. Met de `A' wordt bedoeld: de toename van het ouderdomspensioen uit een pensioenregeling in het betreffende belastingjaar. Bij veel pensioenregelingen worden ieder jaar opgaven verstrekt van het opgebouwd pensioen. In een groot aantal gevallen kan de `A` dan ook berekend worden door de bedragen uit de pensioenopgave van het betreffende jaar naast die van het voorgaande jaar te leggen en van elkaar af te trekken.

Daarnaast biedt het nieuwe systeem de mogelijkheid om extra lijfrentepremie (tot een maximum van ongeveer 12.000 gulden) aftrekbaar te stellen. Dat kan als iemand gedurende de voorgaande jaren (maximaal 5) wel van de lijfrenteaftrekmogelijkheid gebruik zou hebben kunnen maken, maar dat niet heeft gedaan. Verder kunnen mensen tussen 39 en 70 jaar deze mogelijkheid aanwenden als zij aannemelijk maken dat zij een pensioentekort hebben. Vooral wat betreft dit laatste punt stellen verzekeraars dat geen belastingplichtige dat zou kunnen berekenen. Opvallend is echter dat deze mogelijkheid al sinds 1992 (toen het lijfrenteregime in het kader van de zogenoemde Brede Herwaardering gewijzigd werd) in de wet is opgenomen voor diegenen, die nu al meer dan de basisaftrek van ongeveer 6.000 gulden aan lijfrentepremie willen besteden.

Bij het bepalen van dat pensioentekort worden ook bepaalde rekenregels gevolgd. De belastingplichtige kan kijken hoeveel pensioen (inclusief lijfrenten) hij tot het betreffende belastingjaar heeft opgebouwd. Daarbij wordt de AOW betrokken door uit te gaan van de leeftijd in het belastingjaar minus 15 maal 2 procent van de AOW-uitkering. De opgebouwde pensioenen uit loondienstverband (of uit een beroepspensioenfonds voor vrije beroepers) zijn doorgaans uit de opgaven van de pensioenuitvoerder te halen of anders daar op te vragen. Al betaalde lijfrentepremies in het verleden worden via aangegeven factoren omgerekend naar een `fictief' opgebouwd ouderdomspensioen. Als dan blijkt dat er een tekort is – gerelateerd aan het inkomen in dat jaar – mag de belastingplichtige een extra bedrag aan lijfrentepremie (in 1999 tot maximaal 12.148 gulden) benutten. Voor het berekenen van het pensioentekort zijn al sinds 1992 softwareprogramma's op de markt. Voornamelijk bedoeld voor de adviseurs. Maar als in het nieuwe belastingplan op deze regeling voortgeborduurd wordt, dan zou Financiën zo aardig moeten zijn om dergelijke software – of een gemakkelijk in te vullen formulier – ook aan de belastingplichtigen beschikbaar te stellen. Die hoeft dan alleen in hoogst noodzakelijke gevallen of uit luiheid een adviseur in te schakelen.

Toegegeven, het voorgestelde systeem moet op onderdelen tijdens de parlementaire behandeling nog wat uitgekristalliseerd worden en het wordt minder gemakkelijk dan nu nog het geval is. Maar het wordt wel leuker. Want iedereen die vanaf 2001 lijfrentepremie aftrekbaar zal willen stellen, zal voor een keertje uit de luie stoel moeten komen en enige moeite moeten doen om zijn of haar pensioensituatie in kaart te brengen. Dat verhoogt het pensioenbewustzijn. Het zal ook pensioenuitvoerders (fondsen en verzekeraars) ertoe moeten brengen meer heldere informatie over de pensioenrechten te geven dan tot nu toe nog vaak gebeurt. In het kader van de persoonlijke financiële planning is dat alleen maar handig. Want wie weet komen dan sommige Nederlanders er achter dat zij zo'n lijfrenteverzekering – die overigens geen belastingaftrek, maar slechts belastinguitstel (!) oplevert en geen vrij te besteden geld meer is – helemaal niet nodig hebben. Zij laten zich dan ook niet meer zo gemakkelijk verleiden om 'zomaar' (al dan niet via een spaarloonregeling) een lijfrenteverzekering aan te schaffen. Het zou de verzekeraars en sommige – vaak agressief verkopende – adviseurs sieren om niet langer te lamenteren over het verlies aan gemakkelijke productie, maar om te gaan bedenken hoe zij hun klanten, die terecht van de lijfrenteaftrekmogelijkheid gebruik willen maken, ook vanaf 2001 zo goed mogelijk van dienst kunnen zijn.

Meer informatie op internet: de brief van de Consumentenbond aan minister Zalm op www.consumentenbond.nl.

    • Rob Goedhart