Prooidier, oog, cowboy

DE AW-POST. Op 29 september was er aandacht voor de mythe dat roofdieren populaties prooidieren `gezond' houden door er systematisch de zieke en zwakke dieren uit te plukken. Er is tegenwoordig aan films over rovende roofdieren geen gebrek maar je ziet die roofdieren nooit op zieke of zwakke prooi duiken. Bovendien blijken prooidierpopulaties die niet onder druk van roofdieren leven zo te zien niet ongezonder dan andere populaties, was het AW-betoog.

Dat laatste is een beetje een kul-argument, laat bioloog P. Kakes van de Amsterdamse VU met zoveel woorden weten. ``Lang voor een mens iets aan zwakkere dieren ziet zijn die dieren al overleden.'' Het meer of minder voorkomen van ziekten ontsnapt dus gauw aan de waarneming.

Kakes wijst erop dat een flinke roofdierdruk op korte termijn de gezondheid van een prooidierpopulatie kan verbeteren. De kans op allerhande infecties is immers sterk dichtheid-afhankelijk en bij het uitdunnen van de populatie neemt dus het aantal infecties af. Ook komen meer voedsel en nestplaatsen en dergelijke ter beschikking. Maar op langere termijn kan een sterke roofdierdruk averechts werken omdat door het uitblijven van infecties de vatbaarheid in opvolgende generaties geleidelijk zal toenemen. Conform de AW-conclusie van destijds: het zijn de ziektes die een populatie gezond houden. Zo ontstaat een vreemd dilemma voor wildparkbeheerders: willen we prooidierregulatie door roofdieren of door ziektes.

De beschouwing over oogdominantie (16/10) was iets te bondig geformuleerd. Waar het om ging was dat mensen bij het kijken niet beide ogen in gelijke mate gebruiken, maar dat ze een van de twee ogen laten domineren. Vooral bij de nabijwaarneming wordt door het ene oog een ander beeld van de omgeving opgevangen dan door het andere. Om niet helemaal gek te worden zorgen de hersen ervoor dat maar één van die twee beelden wordt gebruikt. Het blijkt dat linkerdominantie zeldzamer is dan rechterdominantie, het voorkomen ligt zo rond de 1 : 2.

Er zijn diverse voor de hand liggen trucjes om uit te zoeken of men links of rechts dominant is. Men kan bijvoorbeeld een wijsvinger opsteken op zo'n dertig centimeter voor het gezicht en die vinger `optisch' laten vallen over een voorwerp (schoorsteen, lantaarpaal, stoelpoot) in de verte en dan door afwisselend links en rechts knipogen nagaan welk oog bij de afdekoperatie werd gebruikt. Men kan ook van duim en wijsvinger een cirkel, een ootje, buigen en door dat ootje naar een ver verwijderd voorwerp kijken en dan opnieuw onderzoeken welk oog daarbij werd gebruikt. Het was didactisch gezien volkomen fout van de AW-redactie om de lezer op te roepen naar het eigen spiegelbeeld te kijken.

De lezer/onderzoeker die nu begrijpt hoe het zit realiseert zich dat men het snelst van derden te weten komt wat hun dominante oog is door die derden te vragen dat duim-wijsvinger ootje te maken op dertig centimeter van het gezicht en de lezer/onderzoeker (die een paar meter verder staat) door dat ootje aan te kijken. Hele kantoorpopulaties zijn zo in een wip gescreend.

Een onderzoeksgroep van het Academische Ziekenhuis van de VU heeft onlangs een echt objectieve methode voor het bepalen van linker of rechter oogdominantie beschreven. Het blijkt dat prikkeling van het dominante oog (met een rood lichtje, bijvoorbeeld) grotere metabolische activiteit in de visuele cortex van de hersenen opwekt dan een zelfde prikkeling van het niet-dominante oog (Rombouts et al., Neuroscience letters, 221, 1996).

Op 23 oktober is een betoog gehouden over oorsprong en teloorgang van het cowboyboek-voor-volwassenen. Tot ver in de jaren vijftig werd daarin een goede omzet gemaakt, nu komt men het genre nergens meer tegen, stond er. Dat blijkt niet juist: in AKO-kiosken leiden de cowboyboeken een sluimerend bestaan als dunne brochures met namen als `Colt 45' en dergelijke. Of ze verkocht worden is onduidelijk.

Het cowboyboek in engere zin is evolutionair voortgekomen uit de indianenliteratuur en -lectuur die teruggaat tot 1820 of eerder en die in Europa vooral door de Franse avonturier Gustave Aimard tot grote bloei is gebracht. Twintig jaar na Aimard nam Karl May de fakkel (en ook veel leuke ideeën) van Aimard over. De indianenserie van Aimard werd in de jaren '80 van de vorige eeuw mooi uitgebracht door Elsevier en het zijn deze boekjes die nog veel bij antiquaren zijn te vinden. Een lezeres stuurde een in het Nederlands vertaalde Aimard (`De spoorzoeker') die al in 1867 was uitgegeven. Het is een derde druk en een van de binnenbladen noemt 15 andere titels van Aimard die dan ook al in het Nederlands zijn verschenen. Het staat dus vast dat hier in Nederland al onder het tweede ministerie Thorbecke een intense belangstelling was voor verhalen over indianen, pelsjagers en goudzoekers.

Het echte cowboy-verhaal, een verhaal met ruige mannen die runderen en paarden verzamelen, brandmerken en begeleiden en tegelijkertijd kampen met noodweer en veedieven, dat verhaal kan pas na ongeveer 1870 zijn ontstaan. De Slegte had een moeilijk te dateren boekje van de Engelsman G.A. Henty (`Roodhuiden en grensroovers', uitgegeven door G.J. Slothouwer in Amersfoort) waarin cowboys al de hoofdrol spelen.

In een andere kast stond het schitterende boek waaruit hier een afbeelding is overgenomen: `The west that was' van John E. Eggen (Schiffer Publishing, 1991). Afdrukken van glasplaatnegatieven die in in 1965 werden teruggevonden maar kennelijk in mei 1903 tijdens de `spring roundup'in Colorado waren gemaakt. Ondanks prikkeldraad en landbouwmachines was er nog tot in die tijd in het uiterste westen voldoende `open range' om cowboys te kunnen gebruiken. Eggen toont ontroerende foto's van cowboys die niet alleen echter cowboydingen doen maar ook de vaat wassen, sokken soppen en spelletjes spelen. De vermaarde `chuck wagon' vervoerde behalve eten vooral enorme hoeveelheden beddegoed. Een detailfoto van die wagen geeft antwoord op de vraag: verkocht men in de cowboytijd al voorgemalen koffie? Het antwoord is nee, opzij van de wagen was een koffiemolen gemonteerd.

    • Karel Knip