Kok had gelijk met zijn oekaze inzake Lockheed

Je zult heden ten dage paleiswacht zijn en ervoor op moeten passen dat niets uit het paleis lekt. Dat is geen sinecure, met zo veel jengelende journalisten en weetgierige wetenschappers die zich achter het hek verdringen om iets op te vangen van `het geheim'. Extra hinderlijk is dat zelfs oud-ministers tegenwoordig niet meer te vertrouwen zijn. Zwegen excellenties en ex-excellenties eertijds als het graf, als wachtpost bij het paleis moet je deze oudgedienden nu óók al goed in de gaten houden.

Wim Kok is zo'n paleiswacht – paleiswacht in constitutionele zin dan. De minister-president is staatsrechtelijk gezien de eerstverantwoordelijke voor het reilen en zeilen van het Koninklijk Huis. De premier dient er vanuit die verantwoordelijkheid op toe te zien dat het voor onze monarchie zo wezenlijke geheim van het paleis niet op straat komt te liggen. Uit het paleis klappen geldt sinds in 1848, toen Thorbecke het staatshoofd onder de curatele van de ministeriële verantwoordelijkheid bracht, als een staatkundige `doodzonde'. De reden daarvan is eenvoudig: de koningin mag voor haar aandeel in het regeringsbeleid niet ter verantwoording worden geroepen. Het staatshoofd troont nu eenmaal boven de partijen. Zij moet uit de partijpolitieke wind worden gehouden.

Het is tegen deze achtergrond dat paleiswacht Kok vorige week in de houding sprong. Via zijn `eerste ambtenaar' stuurde de eerste dienaar van de Kroon een oekaze naar enkele oud-bewindslieden uit het kabinet-Den Uyl: of zij zich toch a.u.b. wilden houden aan de geheimhoudingsplicht. Dit in verband met een vergissing, gemaakt bij het Algemeen Rijksarchief, waar de uitvoerige notulen van de ministerraadsvergadering inzake de Lockheed-affaire per abuis ter inzage waren gegeven aan verslaggevers van een tv-programma. Niet helemaal duidelijk is overigens of topambtenaar Geelhoed zich in zijn schrijven beroept op de geheimhoudingsplicht ten aanzien van het in de ministerraad besprokene, of dat verwezen wordt naar het Kroongeheim. In dit geval doet dit echter minder terzake, omdat het erg waarschijnlijk is dat beide geheimen, gezien de aard van de bespreking in de ministerraad (bevindingen commissie-Donner en de afhandeling van deze affaire) als het ware in elkaar overvloeiden.

Koks oekaze, alsmede het vorige week gepubliceerde boek over het kabinet-Den Uyl, doen de vraag rijzen naar de reikwijdte van `het geheim'. De meningen daarover zijn niet eenduidig. Géén verschil van mening bestaat over zittende bewindslieden die geheimschennis plegen ten aanzien van de zittende vorst(in). Dat is ten strengste verboden. Deze conclusie ligt zo voor de hand, dat ze geen nader betoog behoeft. Ook hoeven weinig woorden vuil gemaakt te worden aan oud-dienaren van de Kroon die zich te buiten gaan aan indiscreties ten aanzien van het nog zittende staatshoofd. Dat is evenmin acceptabel. De pijn bij dit soort ontboezemingen zit 'm natuurlijk met name daarin, dat het een nog regerend staatshoofd betreft die `ontbloot' wordt.

Anders ligt het met de openbaringen van ex-excellenties over een ex-staatshoofd. Daar zit op dit moment de kneep voor Kok. Kenners van het constitutionele recht die zich hebben begeven in dit staatsrechtelijke schemergebied, neigen naar een voorzichtig `ja' op de vraag of hier opening van (staats)zaken geoorloofd is.

Daar kunnen een paar kanttekeningen bijgeplaatst worden. Allereerst: de factor tijd. Voor de beoordeling van de vraag of oud-ministers uit het paleis mogen klappen over een oud-staatshoofd, moet op z'n minst meegewogen worden hoe gedateerd de onthullingen zijn. Niet voor niets kent de Archiefwet een termijn van minimaal twintig jaren. Er is dan ook veel voor te zeggen om, naarmate de tijd verder is verstreken, scheutiger te zijn met de openbaarheid. Maar ook omgekeerd: is het verleden recenter, dan moet meer behoedzaamheid worden betracht.

Een element dat hiermee samenhangt is de vraag of de hoofdpersoon waar het bij de onthulling van het geheim om gaat, nog leeft of niet. Neem de actualiteit. De hoofdrolspelers in het drama dat zich in 1976 ontrolde op paleis Soestdijk, koningin Juliana en prins Bernhard, zijn beiden nog in leven. Dat feit moet tot terughoudendheid manen. Piëteit jegens nog levende personen is geen slechte zaak, ook waar het de koningin en haar familie betreft.

Wat verder gewicht in de schaal legt is de aard van de onthulling. Concreet: is de kwestie waarover uit het paleis wordt geklapt een `gedane zaak' of een nog `lopende kwestie'. Het zal duidelijk zijn dat wanneer sprake is van een kwestie die nog speelt, meer terughoudendheid geboden is dan wanneer het een kwestie betreft die al is afgedaan. Bovendien zijn er zaken die zo goed als onomstreden zijn of anderszins niet gevoelig liggen. Het ligt voor de hand dat in die gevallen met een gerust hart opening van zaken wordt gegeven.

Al deze elementen moeten afgewogen worden tegen het belang dat gediend is met de ongeclausuleerde toepassing van het openbaarheidsbeginsel. Bij die afweging dient niet uit het oog te worden verloren wat het doel is van de ministeriële verantwoordelijkheid en de geheimhoudingsplicht. Dat doel is te voorkomen dat het `onschendbare' staatshoofd voorwerp wordt van discussies. Wordt aan die achterliggende doelstelling afbreuk gedaan, dan is dat een reden temeer om de wacht te betrekken bij het geheim.

Toegepast op de besluitvorming in het kabinet-Den Uyl inzake Lockheed, is er veel voor te zeggen om de boeken en monden nog een poosje gesloten te houden. De gebeurtenissen uit 1976 liggen nog redelijk vers in het geheugen. De schok die door het land ging bewijst bovendien dat het een kwestie betrof die velen diep raakte. Het was, gelet op de aard van het onderwerp én de gevolgen die aan de conclusies van de commissie van drie werden verbonden, een bijzonder pijnlijke affaire. Als deze feiten in de weegschaal worden gelegd naast het belang dat op dit moment gediend is met een ongeremde openbaarheid, kan de conclusie geen andere zijn dan dat de minister-president terecht werk heeft gemaakt van zijn rol als constitutioneel paleiswacht. Gezien het feit dat de publiciteitsdrift en dikmakerij-achteraf bij oud-bewindslieden niet zelden beter is ontwikkeld dan het constitutioneel besef, kan Koks oekaze de toets der kritiek dan ook makkelijk doorstaan.

Menno de Bruyne is medewerker van de SGP-fractie in de Tweede Kamer.

    • Menno de Bruyne