HET ONGEMERKT VERDWIJNEN VAN DE KINDERWERELD

`Met de brede toegankelijkheid van de massamedia kent de wereld geen geheimen meer, en zonder geheimen kan het kind niet bestaan.'' Met dit citaat van de Amerikaanse cultuurfilosoof Neil Postman brak ontwikkelingspsycholoog prof. dr. Willem Koops in zijn rede ter gelegenheid van de dies natalis van de VU op 20 oktober een lans voor een herziening van opvoedingsnormen en -doelen.

In zijn werkkamer op de universiteit, met uitzicht op schooltuinen, gaat Koops graag nog een keer op de materie in. ``Vroeger ging een kind naar school om te leren lezen en schrijven om daarmee toegang te krijgen tot de wereld van de volwassenen. Nu kunnen jonge kinderen op televisie en Internet dezelfde geweld- en seksscènes zien als volwassenen, zonder echter te beschikken over passend inzicht of ervaring. Het zijn geen kinderen meer, maar waarden-loze volwassenen-in-zakformaat. Ongemerkt is een einde gekomen aan de wereld van het kind. De volwassene heeft de controle over de opvoeding verloren.'' In de Verenigde Staten is die ontwikkeling al verder: veel kinderen van vier, vijf jaar hebben er al een televisie en een pc op hun kamer, waar ze vele uren per dag doorbrengen. Er is vandaag de dag een enorme opvoedingsnood, vindt Koops. ``Het probleem is dat we nog geen andere pedagogiek hebben dan die uit de tijd van Fröbel, toen we een aparte niche voor het kind ontwierpen (de Kindergarten) en meenden alleen te kunnen `grootbrengen door kleinhouden', zoals de pedagoge Dasberg dat noemde.''

De ontwikkeling die nu ten einde lijkt te komen, begon vierhonderd jaar geleden. Koops: ``Sinds de 17de eeuw zijn kinderen steeds verder verwijderd uit de wereld van volwassenen. De verlichtingsfilosoof Rousseau definieerde het kind als een zich nog te ontwikkelen wezen dat in menig opzicht anders in elkaar steekt dan elke volwassene. In de klassieke ontwikkelingspsychologie ligt de nadruk op de tekorten van een kind ten opzichte van een volwassene, op wat kinderen nog niet kunnen. Daarom moest een kind op een eigen, aparte plek een ontwikkelingsproces ondergaan voordat het aan een volwassene gelijk kon zijn. Met de opkomst van de industrialisatie werd de scheiding tussen de wereld van de volwassenen en kinderen nog sterker. Vaders verdwenen 's ochtends achter de poort van de fabriek en werden als het ware onzichtbaar. Veel functies van het gezin werden overgenomen door de school, waar kinderen steeds landuriger naar toe moesten.''

Deze visie op het kind vanuit de `tekort-benadering' staat dankzij modern ontwikkelingspsychologisch onderzoek meer dan ooit op losse schroeven, zegt Koops. ``Om een bekende uitspraak over de ontwikkeling van de natuurwetenschap uit de 19de eeuw te parafraseren: het naoorlogse onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen is één langdurige sinterklaasavond. Verrassende ontdekking na verrassende ontdekking werd gedaan. Zeer jonge kinderen bleken al te beschikken over tal van cognitieve, sociale en emotionele capaciteiten. Het onderzoek naar The Child's Theory of Mind maakte duidelijk dat al heel jonge kinderen, drie- en vierjarigen, beschikken over een `naïeve psychologische theorie' over andere mensen, die niet principieel anders in elkaar zit dan die van volwassenen. Kinderen moeten dus al op deze leeftijd als toegankelijke en volwaardige gesprekspartners worden beschouwd.''

Koops suggereert dat onze Westerse cultuur het rousseau-iaanse kind tot realiteit heeft gemáákt, waardoor de wereldberoemde Zwitserse ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget dit beeld van het kind ook in experimenten terugvond en aldus kón beschrijven en verklaren. Koops' studie naar de wijze waarop kinderen sinds de Middeleeuwen geschilderd werden illustreert dit. ``Zowel uit laboratoriumonderzoek waarin wij aan leken verschillende schilderijen lieten zien, als uit berekeningen aan de hand van de kenmerken van het `Kindchenschema' van de etholoog Lorenz (het samenstel van kinderlijke anatomische kenmerken die vertedering oproepen) bleek dat door de eeuwen heen kinderen steeds kinderlijker werden geschilderd, tot zelfs supernormale modellen met overdreven trekken in de 19de en 20ste eeuw.'' Volgens Koops is de visie op kinderen als zich ontwikkelende wezens een luxegoed: ``In de Middeleeuwen stond het kind dicht bij de volwassenen vanwege de armoede. Dat zien we nu nog in ontwikkelingslanden. Braziliaanse collega's hebben in Recife onderzocht welke rekenvaardigheden jonge straatkinderen hebben. Uit dat onderzoek bleek dat wanneer een kind een ruil maakt, het vele en ingewikkelde stappen vooruit denkt, en pijlsnel overziet wat hij er aan het einde van de dag voor kan krijgen. Formeel kunnen deze kinderen niet rekenen, maar in de praktijk bleken ze op dit gebied volstrekt volwassen te handelen. Van de door Piaget veronderstelde kinderlijke denkpatronen was niets te vinden.''

Tot halverwege deze eeuw was de wereld van volwassenen voor kinderen en jongeren een aantrekkelijke wereld. Dat veranderde toen zaken die voorheen aan de jeugd toebehoorden, zoals niet zelf in je onderhoud voorzien en experimenteren met relaties, evenzeer deel gingen uitmaken van de wereld van de volwassenen. De grenzen vervaagden en dit luidde de verdwijning in van de klassieke adolescentie. Koops: ``Nozems en provo's representeerden de laatste stuiptrekkingen daarvan. Zij verdedigden hun positie in een wereld die veranderde. Een duidelijk symptoom van die verdwenen adolescentie is het feit dat studerende kinderen steeds langer (probleemloos) thuis blijven wonen.'' Een andere factor die de wereld der volwassenen minder begerenswaardig maakt is de inflatie van kennis en ervaring. ``Belangrijker dan persoonlijke kennis is de vaardigheid om informatie te kunnen vergaren met behulp van moderne elektronica. Daarmee verdwijnt de afstand tussen kind en volwassene. Er is geen respect meer – en misschien ook niet meer nodig – voor de in de jaren opgebouwde kennis en boekenwijsheid van een oude professor.''

Een oplossing voor deze problemen is niet direct te geven, zegt Koops. ``Ouders zijn onzeker. De handel in informatie (boeken, tijdschriften en televisieprogramma's) stilt die onzekerheid, maar wakkert die tegelijk ook aan. `Ik heb er niet voor geleerd', hoor ik geregeld van ouders. Mijn antwoord is dan: Dat hoeft ook niet. We zijn biologisch zo gewapend, dat we veel intuïtief goed doen. Een voorbeeld: de ideale afstand om oogcontact te maken met een baby jonger dan drie maanden is ongeveer 20 centimeter. Niemand weet dat, maar elke ouder en grootouder buigt intuïtief net zo ver over de wieg heen tot hij/zij de gewenste reactie krijgt. Intuitive parenting, noemde de Tsjechische onderzoeker Papoucek dat. Als iedereen daar in de omgang met jonge kinderen op vertrouwde zou dat een hoop zorgen en problemen voorkomen. Met oudere kinderen ligt het gecompliceerder. In ieder geval is het zinloos terug te willen naar de klassieke opvoeding, gebaseerd op het apart zetten van kinderen. Dat zou inhouden dat je seks en geweld op tv en Internet voor kinderen en jongeren zou moeten verbieden en dat lijkt me niet meer mogelijk. Je moet accepteren dat je kind in deze maatschappij opgroeit. De eerste voorwaarde om je kind te kunnen begeleiden en sturen is dat je weet welke informatie het onder ogen krijgt. Ga er naast zitten en praat over wat je ziet. Ook is het belangrijk jongeren te betrekken bij de vormgeving van hun eigen leefwereld, zoals de Utrechtse sociaal-pedagoog De Winter aangeeft. Als jongeren zo jong volwassen zijn, láát ze dat dan ook zijn.''

    • Jacqueline Kuijpers