GRAUWE GANZEN VERRUILEN BOERENLAND WEER VOOR NATUUR

Grauwe ganzen verblijven tegenwoordig de meeste tijd van het jaar op het boerenland. Toch worden ze nog sterk aangetrokken door natuurlijke leefgebieden, ook tijdens hun najaarstrek door Nederland. Dat blijkt uit een onderzoek van een groep zoölogen en botanici van de RU Groningen en de LU Wageningen. Dat richtte zich op het voortvarend in gebruik nemen van Schiermonnikoog als herfst- en winterverblijf door deze soort (Ardea 87/1, blz. 1-13).

Grauwe ganzen (Anser anser) hebben in Noordwest-Europa een relatieve bloeiperiode achter de rug: hun populatie nam toe van een schamele twintigduizend dieren rond 1970 tot tweehonderdduizend aan het begin van de jaren negentig. Die vertienvoudiging kregen ze voor elkaar door hun voedsel vooral ook in landbouwgebied te zoeken, waar de diversiteit aan voedselplanten toenam terwijl de jachtdruk enigszins verminderde. Tegenwoordig brengen deze watervogels gemiddeld negen maanden van het jaar door op landbouwgrond, en slechts drie in natuurlijke `wetlands'. Maar het verrassend snel gegroeide aantal pioniers op Schiermonnikoog maakt duidelijk dat ze hun oude smaak nog niet hebben verloren.

Tot 1991 kwamen er slechts nu en dan grauwe ganzen op Schiermonnikoog, maar in dat jaar pleisterden er in één keer ruim vijfhonderd van die grote vogels op het eiland. In de jaren daarna steeg dat aantal tot maximaal negenhonderd. De nieuwe populariteit van Schiermonnikoog is vooral het gevolg van een natuurlijke opeenvolging in vegetatietypen. Twee potentiële voedselplanten, Heen (Scirpus maritimus) en Engels Slijkgras (Spartina anglica), breidden zich voor de komst van de ganzen sterk uit. De oostelijke helft van Schiermonnikoog bestaat uit een flinke duinrand en een achterliggend zoutmoeras. Vroeger werd de duinrand kunstmatig versterkt, maar in 1972 kwam daar een eind aan en kreeg de zee bij stormvloed vaker toegang tot het achterliggende gebied. Zeker in de herfst is het er nu flink nat. Engels slijkgras, ooit ingevoerd om landaanwinning te bevorderen, breidde zich uit, en vooral in de tweede helft van de jaren tachtig nam Heen sterk toe.

Grauwe ganzen eten graag de wortelstokken van de eerste, en de knolletjes van de tweede plant. Bij beide voedseltypen bestaat zo'n kwart van het drooggewicht uit oplosbare koolhydraten, een behoorlijke score op de schaal van voedselkwaliteit voor grauwe ganzen waar het om wilde planten gaat. Maar die valt in het niet bij de prestaties van bijvoorbeeld aantrekkelijke oogstresten van aardappelen of suikerbieten, die tachtig tot negentig procent scoren.

Negatieve effecten van het doortastend wroeten van grauwe ganzen op de heen- en slijkgrasvelden lijken vooralsnog beperkt: de ganzen bezondigen zich nog niet aan overexploitatie. Het lijkt erop dat ganzen landbouwgronden opzoeken bij gebrek aan beter. De onderzoekers trekken een parallel met de ook weleens wegens overlast aangeklaagde Kleine zwanen (Cygnus bewickii). Tijdens hun najaarsverblijf in Nederland zoeken die allereerst hun natuurlijk voedsel, de knollen van fonteinkruid, maar nu die door watervervuiling grotendeels zijn verdwenen, zoeken ook zij de aardappel- en bietenvelden op.

(Frans van der Helm)

    • Frans van der Helm