GLEN MOORE

Sommige bassisten spelen zo onnadrukkelijk dat hun aanwezigheid eigenlijk alleen opvalt als ze hun spel staken. Zo niet Glen Moore. Zijn solo's tijdens concerten van Oregon, het jaren zeventig ensemble waarvan Moore mede-oprichter was, vormden doorgaans de hoogtepunten van het optreden. Kenmerkend voor Moore is de vermenging van Westerse jazz met Oost-Europese volksmuziek, Arabische melodieën en Zuid-Amerikaanse ritmes. Anders dan op zijn debuut-cd uit 1995, die van wisselvallige kwaliteit was, weet de bassist op zijn nieuwe cd Nude bass ascending... deze elementen te verenigen tot een consistent geheel met een hoog lyrisch gehalte.

Wat vooral opvalt aan deze opname is de enorme transparantie van het geluid. Zelden zijn er meer dan drie instrumenten tegelijk te horen, waarvan Moore's bas – vaker bespeeld met strijkstok dan met vingers – onbetwist de belangrijkste plaats inneemt. De begeleiding is even sober als effectief. Zo beperkt Carla Bley zich vooral tot het neerzetten van voorzichtig uitgestreken akkoorden op haar Hammond-orgel en hanteert percussionist Arturo Tunçuboyaciyan voornamelijk brushes. De duetten van Moore met ud-speler Rabih Abou Khalil en elektrisch bassist Steve Swallow behoren tot het mooiste wat deze cd te bieden heeft. Leidende en volgende rol worden voortdurend afgewisseld en niet zelden versmelten de instrumenten tot een sonoor geheel. Maar ook humor ontbreekt niet op dit veelzijdige album. Op It takes a village combineert Tunçuboyaciyan `human beatbox'-geluiden met een Latijns-Amerikaanse versie van scatten en op Mayday wordt het refrein verzorgd door een blaf-jankend hondenkoortje.

Glen Moore: Nude bass ascending... (Intuition, INT 31922) Distr. Choice Music.

    • Edo Dijksterhuis