GENTHERAPIE ONDER HOGE DRUK VOORKOMT BYPASS-COMPLICATIE

Onderzoekers van Harvard Medical School hebben een vorm van gentherapie ontwikkeld waarbij geen virussen of liposomen (vetbolletjes) worden gebruikt, zoals tot nu toe altijd gebeurde. De onderzoekers maken gebruik van hoge druk om een gen in de gewenste cellen te krijgen. Met deze vorm van gentherapie kan een gevreesde complicatie van bypass-operaties – nieuwe vernauwingen in de aangelegde bypass – worden voorkomen (The Lancet, 30 okt).

Tijdens een bypass-ingreep legt men met een stukje ader uit een arm of been een omleiding langs een vernauwing in de kransslagader van het hart. Bij ruim eenderde van de patiënten ontstaan echter na enige tijd verdikkingen in de binnenste laag (intima) van de aderwand. Het stukje ader heeft namelijk op zijn nieuwe plaats een dikkere wand nodig vanwege de veel hogere bloeddrukken die daar heersen. Helaas vernauwt de verdikking het vat, waardoor bij een opflakkering van de atherosclerose grote problemen kunnen ontstaan en een nieuwe operatie nodig is.

Er bestaat geen medicijn om de verhoogde delingsactiviteit in de intima tegen te gaan. Onderzoekers van Harvard Medical School in Boston zochten daarom hun heil in het blokkeren van genen die de celdeling aansturen. Hierbij is het eiwit E2F van belang. Dat gaat een binding aan met een zogenaamd promotorgen en die binding activeert indirect een dozijn genen die een taak bij de celdeling hebben. De binding vindt plaats op een stuk DNA met een bepaalde basenvolgorde. De onderzoekers maakten daarom decoys (lokkertjes): stukken dubbelstrengs DNA die identiek zijn aan de bindingsplaats. Als er een overmaat aan decoys in de cellen aanwezig is, bindt E2F eerder aan een decoy dan aan het promotorgen. De delingsactiviteit in de intima neemt daardoor sterk af en verplaatst zich naar de volgende laag in de vaatwand, de media, waar verdikkingen veel minder problematisch zijn.

Omdat de decoy een stukje DNA is, is hier sprake van gentherapie. Het nieuwe van deze vorm van gentherapie is dat het DNA niet door een virus of een andere drager in de cellen wordt gebracht, maar er in wordt geperst. Tijdens de operatie wordt de uitgenomen ader in een apparaat geplaatst dat een zoutoplossing met de decoy onder een lichte druk van binnen naar buiten door de vaatwand stuwt. Na 10 minuten bevat bijna 90 procent van de cellen decoys en kan de operatie verder gaan.

Na succesvolle toepassing bij proefdieren zijn 17 patiënten aldus behandeld. Daarnaast kregen 16 patiënten een ader die op dezelfde manier was behandeld, maar geen decoys bevatte, terwijl acht patiënten een stukje DNA kregen met een volstrekt andere basenvolgorde dan de decoy. Het lokkertje wist in ruim 70 procent van de cellen het E2F te verleiden, zodat de decoy de delingsactiviteit fors terugbracht. Bij patiënten met decoys waren in het eerste jaar na de operatie aanzienlijk minder nieuwe ingrepen nodig.

(Huup Dassen)

    • Huup Dassen