Engagement of idiotie

In Frankrijk is een boeiend debat gaande over de betekenis van de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan Médecins sans Frontiéres (MsF), Artsen zonder Grenzen. Simpel samengevat gaat het over de vraag: betrokkenheid of onverschilligheid? Inmenging of afzijdigheid? Moreel engagement (aanmatiging, betweterigheid, heilig-boontjesdom) of erkenning van onmacht en bescheidenheid? Nadenken of ogen sluiten? Spreken of zwijgen? Handelen of niet-handelen?

Op het eerste gezicht zijn dit allemaal retorische vragen. Wijlen moeder Theresa en de zendingsdominees zouden er evenmin een probleem mee hebben als, pakweg, Amnesty International. Hoe je het ook noemt, naastenliefde of internationale solidariteit, het kan nooit verkeerd zijn je in te zetten voor mensen die creperen. Doe wel en zie niet om. Maar zo eenvoudig zit de wereld niet in elkaar.

In L'Express wordt naar aanleiding van de Nobelprijs voor MsF de geschiedenis opgehaald van de tegenstelling tussen deze hulporganisatie en het Internationale Rode Kruis. De oprichting van MsF was een protest tegen de diplomatieke voorzichtheid van de machtige erfgenamen van Henri Dunant (in 1901 de eerste winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede). Tijdens de watersnoodramp in Bangladesj verbood het Internationale Rode Kruis een aantal Franse artsen de slachtoffers bij te staan, omdat het land in oorlog was met India. Dus richtten ze MsF op. Ook in L'Express komt de filosoof André Glucksmann aan het woord. Volgens hem is de Nobelprijs van 1999 een correctie op die van 1944, toen het Rode Kruis hem kreeg als prijs voor het zwijgen, waarmee ,,de keurig-fatsoenlijken die op de hoogte waren van de verschrikkingen maar niets hadden gezegd' ten onrechte werden beloond.

Het debat gaat over de aard van het engagement van voormalig links in Frankrijk, de mensen die daar doorgaans `de generatie van `68' worden genoemd. De grondleggers van MsF, Rony Brauman, de huidige gevolmachtigde van de VN in Kosovo Bernard Kouchner en anderen, kwamen uit communistische, trotskistische en maoïstische hoek. Als intellectuelen van die generatie roepen ze wantrouwen op. Waren zij niet bezweken voor de totalitaire verleiding? Beschouwden zij de slachtoffers van linkse dictaturen niet als ,,lijken langs de kant van de weg naar het paradijs'? En zouden dan uitgerekend zij zich het lot van alle verminkten en verhongerden, ongeacht ideologie, nationaliteit, partij of geloof, moeten aantrekken? Wie, zo luidt de teneur van sommige beschouwingen, denken deze `linkse intellectuelen' wel dat zij zijn, opnieuw hoogmoedig het gelijk aan hun zijde wanend.

In wezen komt deze kritiek neer op een oproep tot zwijgen en afzijdigheid aan degenen die, wellicht te luid, al eerder van zich hadden laten horen.

Er gaat een interessante geschiedenis aan vooraf. De Vietnamese bootvluchtelingen vormden indertijd een keerpunt in het `linkse denken' over humanitaire hulp. Ik herinner me hoe ook in Nederland dezelfde mensen die zich jarenlang vereenzelvigd hadden met de Vietcong en te hoop waren gelopen tegen de Amerikaanse oorlogsvoering, in 1980 omschakelden naar geldinzamelingen en acties voor opvang van de slachtoffers van het communistische Vietnam. Ik geef, voor mezelf sprekend, toe dat hier een zekere morele paniek aan vooraf ging.

De commentaren in de Franse pers over de Nobelprijs voor MsF grijpen terug op datzelfde jaar 1980. Toen bracht André Glucksman de twee grote tegenspelers van het intellectuele debat van de voorgaande decennia – Sartre en Aron – bij elkaar. De twee mastodonten hadden sinds de Algerijnse oorlog geen woord meer met elkaar gewisseld. Nu togen zij samen naar het Elysée om van president Giscard d'Estaing hulp voor de bootvluchtelingen te vragen.

`De plicht tot aanmatiging', zo luidt de kop boven het artikel in l'Express waarin Glucksmann deze herinnering ophaalt. Hij juicht het toe dat de generatie van `68 heeft gekozen voor het `humanitaire engagement' en dat artsen nu model staan voor `de nieuwe intellectueel', minder ideologisch dan vroeger, maar daarom nog niet afzijdig en zeker niet onverschillig. Waar kritici MsF beschuldigen van exhibitionisme en het opvoeren van mediashows vol bloed en wonden, ziet hij de Nobelprijs voor de artsenorganisatie als symbool van de plicht tot betrokkenheid.

In de Volkskrant signaleerde Dorien Pessers dinsdag een tegenovergestelde tendens: afnemende belangstelling voor de publieke zaak in alle westerse landen en toenemende concentratie van burgers op hun privé-belangen. Zij citeert uit het boek L'Avenir de la Liberté van Jean Marie Guéhenno, die er aan herinnert dat in het oude Athene mensen die zich alleen om hun privé-belangen bekommerden `idioten' werden genoemd. ,,Dat idiotisme heeft zich tegenwoordig wijd verbreid', vindt Pessers.

Een voorbeeld van zulk idiotisme leverde Anil Ramdas een dag eerder in deze krant Hij schreef over Armenië waarvan hij niets weet en ook niets wil weten. Armenië interesseert hem niet, omdat hij daar geen `particulier belang' bij heeft.

Het is waar dat niemand zich altijd en overal voor alles in de hele wereld kan interesseren. Het incasseringsvermogen van ieder mens is beperkt. Maar ik verwonder me over een journalist die zegt zich alleen maar te kunnen opwinden over zaken waar hij een privé-interesse of `raciale' betrokkenheid bij heeft. Zijn verdediging van het niet-weten, het niet-willen-weten, je afsluiten, de andere kant opkijken is een apologie van de onverschilligheid.

Ramdas schrijft: ,,Ik wantrouw mensen die beschikken over een onbepaald engagement, over een nimmer aflatende paraatheid om zo niet daadkracht, dan ten minste medeleven te tonen voor elke situatie in elk gebied.

Vroeger kon dat, toen de wereld opgedeeld was in links en rechts, maar nu moet je nadenken, informatie tot je nemen, moeite doen.' Tot deze activiteiten – nadenken, zich informeren en moeite doen – is Ramdas niet bereid, geeft hij te kennen. Mij best, maar waarom zou hij mensen die zich, in een onoverzichtelijke wereld, wel druk maken over humanitaire waarden, waar dan ook, verdacht maken?

Betrokkenheid is nooit `onbepaald'. Misschien stoort Ramdas zich aan te grote pretenties. Toch spreekt mij de aanmatiging, zoals Glucksmann het noemt, van Artsen zonder grenzen meer aan dan Ramdas' Lof der Idiotie.

    • Elsbeth Etty