Eenheid is in het nieuwe Duitsland nog ver te zoeken

De komende week is het tien jaar geleden dat de Muur viel en een eind kwam aan de Duitse deling. Voor de inwoners van de voormalige DDR is het geen aanleiding voor uitbundige feestvreugde. Want in Oost-Duitsland is een democratie nog lang geen feit, meent Heribert Prantl.

In de harten van de mensen luidden de klokken. Tenminste, zo stond het destijds in de krant toen de burgemeester van Berlijn juichend verkondigde dat de Duitsers door de eenwording het gelukkigste volk ter wereld waren. Sindsdien wordt elk jaar de geluidsband van het indrukwekkende gebeier opnieuw afgespeeld. Het lijkt wel een kerstviering: feestklokken, preken, in dulci jubilo.

Maar in hoeverre is de eenwording werkelijk geslaagd? Minister van Binnenlandse Zaken Otto Schily klaagt dat in de nieuwe deelstaten de democratie nog altijd niet `geleerd' is. Zo'n klacht komt voor een deel voort uit een onbestemd onbehagen en uit een troebel besef: er is zwaar geïnvesteerd in de economie, maar niet in de democratie. Het devies luidde: zolang de motor van de economie ronkt, is de staat gezond. Iedereen heeft aangenomen dat er democratie zou groeien op de grond die met vrije concurrentie werd bemest. Maar men heeft zich vergist. Het heeft de bedenkers nooit zo voor ogen gestaan, maar veel mensen menen inmiddels hun les te hebben geleerd, namelijk dat de toenmalige DDR-machthebbers over het wezen van het kapitalisme eigenlijk niet eens zoveel onzin hebben beweerd.

De recente geschiedenis van de Duitse eenwording laat zien waartoe het leidt wanneer het politieke bewustzijn van een regering volledig wordt opgeslokt door economische vraagstukken. Het is verkeerd te denken dat een gezonde economie en een gezonde democratie in hun wezen niet met elkaar verbonden zijn. Het een komt niet zonder meer uit het andere voort. In het Oosten van Duitsland is zichtbaar wat uiteindelijk gebeurt wanneer slechts wordt geïnvesteerd in de economische infrastructuur terwijl de democratische infrastructuur wordt verwaarloosd.

Het verenigde Duitsland heeft de afgelopen tien jaar voornamelijk een goed functionerende economische- en monetaire unie tot stand gebracht. Maar wie in het Oosten op zoek gaat naar de Bondsrepubliek als politiek domein, komt bedrogen uit. Het besef één volk te zijn, is vele malen sterker dan het democratische bewustzijn. Gevoelens van suprematie tegenover de Poolse buren en het latent aanwezige racisme zijn de ideologische constanten bij kiezers van zowel de PDS als de DVU (en niet bij hen alleen). De rechtsradicale hoofdstroom van de jeugdcultuur vergiftigt het openbare leven. De Oost-Duitse jeugd is niet stuurloos of overwegend extreem-rechts, maar staat eerder vijandig tegenover iedere vreemde. Er is een racistische pretmaatschappij ontstaan, die zuipt, jammert en dezelfde staat vervloekt door wie zij zich laat onderhouden. De landdagen in het Oosten zijn geen onderdeel van democratische structuren, en gemeenteraden geen afspiegeling van een levendige democratie – zij drijven als bieslook op een andere soep. Oost-Duitsland is net als de andere voormalige Oostbloklanden een postcommunistische maatschappij, waarin een alledaagse democratische cultuur nog veel tijd nodig heeft om te groeien. Als democratie in het Oosten al bestaat, dan is het een partijendemocratie, voornamelijk opgebouwd uit kleine partijbureaus met een directeur en een faxaparaat, maar niet uit leden. De PDS vormt hierop de enige uitzondering, wat de politici uit het Westen danig in verwarring brengt. De PDS is de enige partij in het Oosten die net zo kan werken als de partijen in het Westen. Alleen de PDS zou toentertijd, als de partij het had gewild, ten behoeve van de gemeenschap hebben kunnen werken. Maar ze doet het niet. In plaats daarvan bevredigt de PDS de behoefte van de Oost-Duitsers aan continuïteit.

Wat zou er gebeurd zijn als de DDR een staat was geweest als alle andere Oostbloklanden? Wanneer er geen West-Duitse tegenhanger van het land was geweest en er dus ook geen legioenen West-Duitsers in de startblokken hadden gestaan? Met wiens hulp zou dan in de DDR een democratie zijn opgebouwd? Vermoedelijk zou een beroep zijn gedaan op de directies van industriële complexen en medewerkers van universiteiten en culturele instellingen:leidinggevenden van instituties die weliswaar verbonden waren aan de staat, maar ideologisch toch minder met het regime verklonken waren. Men zou het geprobeerd hebben met socialisten, met de lezers van de boeken van Christa Wolf.

Maar wat gebeurde? Deze elite, die potentieel in staat was een democratie op te bouwen, werd buitenspel gezet. Het Westen combineerde zo de ideologische afrekening met economische verdringing. Dat had zijn voordelen; hoe meer mensen in het Oosten uit hun functie werden gezet, des te meer plaatsen kwamen er vrij voor de elite uit het Westen. Eenderde van de DDR-bevolking werd zo buitengesloten; terwijl invloed van de Oostblok-elite in Tsjechië of Polen in de democratische structuren groeide, kroop zij in de nieuwe Duitse deelstaten onder tafel en hield zich daar jarenlang schuil in hun frustratie over de democratie. Nu komt zij weer tevoorschijn op de affiches van de PDS. Partijen als de SPD en CDU ontbreekt het juist aan deze mensen, en zij beklagen zich over de weinig rooskleurige positie van hun partij in het Oosten.

Het ministerie voor de Duitse Eenwording in Bonn werd opgeheven op het moment dat het eigenlijk het hardst nodig was, namelijk toen middelen en wegen moesten worden gevonden om het Oosten klaar te stomen voor de democratie. Het Westen meende de eenwording te hebben voltooid nadat het eigen systeem over het nieuwe gebied was gelegd. Vervolgens zou men nog slechts een fase van gewenning moeten doorstaan. Maar deze `fase' van afwachten heeft er toe geleid dat een jonge generatie verloren gaat voor de democratie. In 1989/'90 gunde het Westen zich geen tijd voor een debat over de grondwet, geen tijd voor zelfbezinning en voor een discussie over waarden. Die zelfverzekerde houding heeft zich inmiddels gewroken. Het debat zal alsnog moeten worden gevoerd.

In 1992 heeft Gerhard Riege, hoogleraar in de rechten en PDS-afgevaardigde, zich van het leven beroofd nadat de media hem wegens zijn in feite onbeduidende contacten met de Stasi in de jaren vijftig achtervolgde en hij in de Bondsdag werd vernederd. In zijn afscheidsbrief schreef hij: ,,Mij ontbreekt de kracht om te vechten en te leven. Deze is mij in de nieuwe vrijheid ontnomen. Ik heb angst voor de publiciteit zoals de media die tot stand brengen. Ik heb angst voor de haat die mij in de Bondsdag in het gezicht slaat.'' Ook deze brief maakt deel uit van het nieuwe Duitsland.

Heribert Prantl is redacteur van de Süddeutsche Zeitung.

©Süddeutsche Zeitung

    • Heribert Prantl