De afwijzing

De afgelopen drie weken heeft de Soedanese journalist Mohammed Abd al-Hamid hier verslag gedaan van zijn gangen door `de procedure'. Vandaag het vierde en laatste deel: zijn verzoek is afgewezen. `Ik ben een ideale standaardasielzoeker.'

In het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, op de begane grond van het opvangcentrum, trof ik een jonge IND-ambtenaar in gepeins verzonken achter haar laptopcomputer. Zij keek verstrooid op om mij te begroeten, waarbij ik geen enkele uitdrukking op haar gezicht bespeurde. Een goedgeklede jongeman maakte zich bekend als tolk en vroeg of hij mocht roken. Aan zijn accent te horen was hij van Libanese afkomst. Ik haalde als antwoord op zijn vraag mijn pakje sigaretten te voorschijn en ging tegenover de ambtenaar zitten. Op haar bureau lag een gele map, die kennelijk mijn dossier was. Ik fixeerde mijn blik op deze map die de documenten bevatte die mijn bestaan in Nederland zouden rechtvaardigen.

Ik had nog steeds een onwrikbaar vertrouwen in die stapel papieren. Er waren persberichten bij over mijn politieke activiteiten en mijn arrestaties en krantenartikelen die ik zelf geschreven had, sommige met zowel mijn naam als mijn foto erboven. Ook bezat ik interne memo's van mijn toenmalige werkgever, de Nederlandse ambassade in Jemen, waarin mijn politieke activiteiten uitgebreid besproken werden. Toen de ambtenaar uiteindelijk opkeek van haar werk en het interview begon, was er onmiddellijk een sfeer van kille achterdocht. Om een mij onbekende reden leek de interviewster mijn relaas volstrekt oninteressant en ongeloofwaardig te vinden. Zij geeuwde herhaaldelijk, onderbrak mij voortdurend met ongeduldige en argwanende vragen en op zeker moment verklaarde zij: ,,U heeft tot dusver niets gezegd dat uw asielaanvraag zou kunnen rechtvaardigen'.

Hoewel zij goed Engels sprak, stond zij erop dat het hele gesprek vertaald werd van het Arabisch naar het Nederlands en vice versa, waardoor het interview vijf uur in beslag nam. Toen Carla van Beek van Vluchtelingenwerk de Nederlandse tekst later woord voor woord voor mij vertaalde, kon ik mijzelf in een aantal passages slechts met moeite herkennen en stonden zaken uit mijn mond opgetekend die ik nooit gezegd had. Dankzij de geduldige inspanningen van Van Beek kon ik het interview uiteindelijk met twaalf pagina's correcties terugsturen.

De advocaat die mij een week na het interview werd toegewezen vertelde mij dat hij geen reden zag waarom mij asiel geweigerd zou worden. In de laatste week van oktober bereikte mij echter het verontrustende nieuws dat de vreemdelingenpolitie mijn doorstroming naar het asielzoekerscentrum blokkeerde omdat ze `nog bezig waren mijn identiteit te verifiëren'. Kort daarop werd ik naar het kantoor van de vreemdelingenpolitie gesommeerd, waar een barse jonge ambtenaar met een kopie van mijn huwelijksakte wapperde en vroeg of ik het origineel kon laten zien. Ik zei hem dat het origineel zich in Jemen bevond en dat ik mijn vrouw zou vragen het op te sturen.

Binnen een week had ik de akte ontvangen en bracht deze naar de ambtenaar. Vervolgens hoorde ik enige tijd niets, totdat dezelfde ambtenaar mij op 25 november `voor een paar vragen' naar zijn kantoor riep. Het onderhoud begon wederom met de gebruikelijke vragen naar mijn naam, leeftijd enz. die, naar ik zo langzamerhand begon te begrijpen, kennelijk bedoeld waren om mij op leugens te betrappen. Toen ik het antwoord schuldig bleef op de vraag naar de geboortedatum van mijn vader reageerde de ambtenaar geschokt: wist ik de verjaardag van mijn vader niet?

Op mijn uitleg dat het in Soedan niet gebruikelijk is om verjaardagen te vieren en dat er vooral onder de oudere generatie maar weinigen zijn die precies weten op welke dag ze zelf geboren zijn, keek hij mij glazig aan. Ondanks de dagelijkse omgang met asielzoekers ging een dergelijk simpel cultuurverschil het voorstellingsvermogen van deze ambtenaar kennelijk te boven.

Het was duidelijk dat de ambtenaar meende dat hij op het punt stond om mij als leugenaar te ontmaskeren. Er volgde een lange reeks vragen over een oud Soedanees rijbewijs dat hij tussen mijn papieren gevonden had. Enigszins ongeduldig vroeg ik hem na verloop van tijd waarom hij toch zoveel belang stelde in een oud rijbewijs dat al zeker tien jaar verlopen was.

Tot mijn verbazing kreeg ik te horen dat de vele nietgaatjes in de foto bij hem het vermoeden hadden doen rijzen dat dit rijbewijs vals was. Ik legde hem uit dat de Soedanese bureaucratie nu eenmaal niet de Nederlandse is en dat deze foto eerst aan een aanvraag was vastgeniet voordat hij op het rijbewijs zelf was terechtgekomen. Mijn nervositeit bevestigde slechts de vooringenomen vermoedens van de ambtenaar: triomf. Vanuit de hoogte raadde hij mij aan om mij op verdere verrassingen voor te bereiden en na een volgende reeks vragen over mijn oude en nieuwe paspoorten onthulde hij zijn finale troef: uit deskundig onderzoek was gebleken dat beide paspoorten vals waren!!

Ik was verbijsterd. Toen ik na enige tijd mijn gedachten weer op orde had, bedacht ik mij dat het toch niet moeilijk moest zijn om zelfs deze ambtenaar aan zijn verstand te brengen dat dit werkelijk een absurde aantijging was. Zoals hij zelf kon zien, had ik met deze paspoorten de afgelopen twintig jaar zo'n vijftien verschillende landen bezocht, veelal in West-Europa. Het was toch niet logisch om te veronderstellen dat ik twintig jaar geleden mijn identiteit had vervalst om vandaag in Nederland asiel aan te vragen?

Bovendien viel uit de diplomatieke visa en andere papieren in mijn dossier gemakkelijk af te leiden dat beide paspoorten veelvuldig gebruikt waren om de voormalige Soedanese president op buitenlandse reizen te vergezellen. Een journalist die de buitenlandse reizen van zijn president verslaat, is toch de laatste persoon die behoefte zou hebben aan een vals paspoort? De simpele conclusie van de ambtenaar luidde dat je met een vals paspoort óók kunt reizen.Mijn paspoorten, hield hij vol, waren onderzocht met de meest geavanceerde technologie die in Europa voorhanden is en uit dat onderzoek was gebleken dat het amateuristische vervalsingen waren.

Mijn tegenwerping dat zijn Europese technologie wellicht te geavanceerd was voor mijn negen en achttien jaar oude Soedanese paspoorten, maakte geen enkele indruk. Nu wilde hij weten hoe het kwam dat mijn naam in de verschillende documenten op verschillende wijzen gespeld was. Ofschoon je toch zou denken dat iemand die dagelijks asielzoekers ondervraagt van zulke zaken op de hoogte is, legde ik hem geduldig uit dat de standaardmanieren om het Arabische in het Latijnse alfabet te transcriberen zeer ingewikkeld zijn en kennis van de Arabische grammatica vereisen.

Vervolgens vroeg hij hoe ik tot tweemaal toe mijn paspoort had kunnen vernieuwen in Jemen, terwijl ik toch beweerde een tegenstander van het regime te zijn. Ik vertelde hem dat de Soedanese ambassades vaak bemand worden door carrièrediplomaten die niet noodzakelijkerwijs fervente aanhangers van het regime zijn. Die ambassades zijn over het algemeen straatarm en allang blij als er iemand komt om voor het exorbitante bedrag van vierhonderd dollar zijn paspoort te verlengen. Ook probeerde ik hem te doen begrijpen dat stam- en familieverbanden, maar ook persoonlijke vriendschappen in mijn land soms zwaarder wegen dan politieke verschillen. Als balling kon je het geluk hebben een vriend of familielid in de ambassade aan te treffen die je hielp met het vernieuwen van je paspoort.

De ambtenaar hoorde mijn verweer verveeld aan en besloot het interview met de woorden: ,,Ik beschuldig u formeel van het voorleggen van valse documenten en het misleiden van de Nederlandse overheid. Al uw paspoorten en documenten worden hierbij in beslag genomen.' Vervolgens vroeg hij me of ik het mij ten laste gelegde wilde bekennen. Aangeslagen liet ik hem weten dat ik al deze beschuldigingen categorisch ontkende. Hij liet me zijn rapport lezen en tekenen en zei dat hij het zou opsturen aan de officier van justitie om een rechtszaak tegen mij te beginnen. Ook zei hij een kopie naar mijn advocaat te zullen sturen, wat hij overigens tot op heden niet gedaan heeft.

In het land waar ik naartoe vluchtte om aan vervolging te ontkomen, zou ik nu op gezag van een machine vervolgd worden als vervalser van documenten. Mijn advocaat adviseerde mij om zoveel mogelijk originele documenten te verzamelen die mijn identiteit zouden kunnen bevestigen. In de daaropvolgende dagen stuurde mijn vrouw me in totaal ongeveer een kilo documenten, waaronder twaalf identiteitskaarten en een tweede verlopen rijbewijs vol nietgaatjes. Verder leende ik een identiek rijbewijs vol nietgaatjes van een Nederlandse vriendin die jarenlang in Soedan woonde. Ik bezit nu in totaal 88 documenten die elk op zichzelf mijn identiteit bewijzen.

Gesterkt door mijn nieuwe aanwinsten maakte ik een nieuwe afspraak met de ambtenaar om hem ditmaal kalm en geduldig van mijn bestaan te overtuigen. Hij ontving mij in zijn kantoor waar ik hem de nieuwe documenten toonde. Ik vroeg hem om mij een tweede kans te gunnen omdat totale perfectie op deze wereld niet bestaat en zowel mensen als machines fouten kunnen maken. Hij antwoordde stekelig dat het onderzoek naar de authenticiteit van mijn paspoorten absoluut betrouwbaar was en niet ter discussie stond.

Ontmoedigd vroeg ik hem wat er nu precies betwijfeld werd: mijn identiteit of mijn paspoorten, waarop hij zei: ,,Alles wordt in twijfel getrokken: uw identiteit, uw paspoort en uw verhaal. Misschien bent u wel een spion van de Soedanese overheid die hier de Soedanese oppositie wil infiltreren!' Deze laatste belediging bracht mij tot razernij en ik riep uit: ,,Dus u denkt dat ik gedurende twintig jaar verschillende nationale en internationale organisaties plus vijf Soedanese oppositiegroeperingen om de tuin heb geleid, waaronder de Soedanese Schrijvers en Journalisten Organisatie die mij in 1995 tot haar voorzitter koos, en dat u nu als enige zo slim bent om mij als een spion te ontmaskeren?!'

Voor het eerst leek de ambtenaar van zijn stuk gebracht. Nors mompelde hij: ,,Logica verklaart nu eenmaal niet alles.' Dit moest wel zijn meest fundamentele geloofsartikel zijn.

Meer hatelijkheden werden uitgewisseld totdat ik hem verklaarde: ,,Als u het tot een rechtszaak laat komen en ik word vrijgesproken, dan kunt u erop rekenen dat ik vervolgens een rechtszaak tegen u aanspan wegens laster.' ,,Wilt u mij soms bedreigen', riep de ambtenaar nu uit, ,,dit is het einde van deze bijeenkomst!' Hij stond op en schakelde het licht uit. Ik verliet het kantoor met mijn documenten en zonder gedag te zeggen.

Ik herinnerde mij het advies dat een vriendelijke oudere mevrouw mij gaf op het kantoor van Vluchtelingenwerk gedurende mijn eerste weken in Nederland. Nadat ze mijn documenten en mijn cv bestudeerd had drukte zij mij op het hart dat het het beste voor mij zou zijn om hier in Nederland alles te vergeten over mijn opleiding, carrière en te wennen aan het idee dat ik hier slechts een asielzoeker was. Ik voelde mij toen gekrenkt door haar advies, maar later begreep ik wat zij bedoelde.

Ik dacht, en ik denk nog steeds, dat ik een ideale standaardasielzoeker ben, met een `gegronde angst voor politieke vervolging', die ik kan bewijzen met mappen vol krantenknipsels die getuigen van mijn politieke activiteiten en arrestaties, stapels documenten en brieven van nationale en internationale organisaties en zelfs een brief van de Nederlandse ambassade in Jemen, die getuigt van de waarheid van mijn verhaal. Maar mijn gevorderde lotgenoten in het asielzoekerscentrum waren ervan overtuigd dat ik een grote fout maakte door de waarheid te vertellen. Nu ik dit schrijf, na acht maanden wachten zonder enig resultaat, begin ik bang te worden dat zij gelijk hebben.

Na meer dan tachtig documenten en kopieën te hebben overhandigd aan het ministerie van Justitie, ontving ik een negatieve beschikking op mijn asielverzoek. Dit besluit was gebaseerd op mijn paspoorten en het oude, volgeniete rijbewijs en gerechtvaardigd met de conclusie dat ik in mijn eigen land niets te vrezen heb. Bovendien kon het ministerie op mijn huwelijksakte noch mijn naam noch die van mijn vrouw vinden – ik hoop maar dat het een vergissing van de vertaler is, want ze staan er toch duidelijk. En hoe kan iemand denken dat, zelfs in een land als Soedan de naam wordt weggelaten op een huwelijksakte, of dat ik, meestervervalser toch, die zou vergeten?

Mijn advocaat heeft al hoger beroep aangevraagd. Ik hoop dat ze er niet te lang over doen, want ik heb al negen maanden moeten wachten op de negatieve beslissing en nog eens anderhalve maand, tot half september, voor ik dat besluit opgestuurd kreeg.

Voor mijn familie, die al zo lang wacht, wordt het steeds moeilijker om te overleven. Ik heb geprobeerd werk te zoeken, om hen te onderhouden. Ik heb de Sociale Dienst op het AZC gevraagd of ik een werkvergunning kon krijgen. Het resultaat was opmerkelijk: de verantwoordelijke ambtenaar legde me uit dat ik wel een werkvergunning kon krijgen, maar dat het werk dat ik daarmee mag doen, strikt beperkt is tot appels plukken of asperges steken. Later vroeg ik een Nederlandse vriend: ,,Wat zou er gebeuren als ik met deze werkvergunning op zak zou worden betrapt op het plukken van komkommers?' Dan word je vast en zeker uitgezet, voorspelde hij.

(slot)

De afwijzing

De afwijzing, de vierde en laatste aflevering van de dagboeken van de Soedanese asielzoeker Mohammed Abd al-Hamid (in de krant van zaterdag 6 november, pagina 41), is vertaald door Michel Hoebink.

    • Mohammed Abd Al-Hamid