'Bang voor de dood ben ik niet meer'

Als meisje leefde Malika Oufkir opgesloten tussen de concubines van de Marokkaanse koning. Als jonge vrouw leefde ze in de gevangenis, nadat haar vader een staatsgreep had gepleegd. Toch verlangt ze terug naar haar land. `Opeens word ik begrensd door de tijd.'

Twintig jaar van haar leven bracht Malika Oufkir (46) door in Marokkaanse gevangenissen. Ze heeft nu voortdurend pijn in haar rug, last van koorts en migraine. Haar diepbruine, melancholieke ogen en haar broodmagere verschijning staan in schril contrast met de vrolijk gemütliche sfeer in de Zwitserse brasserie-konditorei, waar ze mij te woord staat. Malika Oufkir reist drie maanden door Europa, Japan, Libanon en Brazilië om De gevangene te promoten, haar boek dat nu in dertien talen verschijnt.

Zij is de oudste dochter van generaal Mohammed Oufkir, die op 16 augustus 1972 een mislukte staatsgreep pleegde tegen het bewind van koning Mohammed V. De generaal, die jarenlang de op één na machtigste man van het land was, werd geëxecuteerd. Zijn vrouw en hun zes kinderen (de meisjes Malika, Myriam, Maria en Soukaïna, en de jongens Raouf en Abellatif) verdwenen achter de tralies. De naam Oufkir mocht nooit meer worden uitgesproken.

Het liep anders. De familie Oufkir overleefde.

Het boek, geschreven in een warrige stijl, met veel vooruit- en terugblikken, begint in de jaren vijftig. Als klein meisje kwam Malika vaak in het paleis van koning Mohammed V. Haar moeder was afkomstig uit een vooraanstaande Marokkaanse stam en verwant aan de koninklijke familie. Malika speelde met de dochter van de vorst, Lalla Mina, die even oud was als zij. Toen beide meisjes vijf jaar waren, werd Malika door Mohammed V geadopteerd, zodat zijn dochter een zusje zou hebben. Malika verhuisde naar het paleis. `Ik huilde, brulde en stampvoette', herinnert Malika Oufkir zich in haar boek. `Me bij mijn moeder weghalen, betekende me uit het leven weghalen. Heeft mijn moeder net als ik, tot vroeg in de ochtend gehuild? Ik heb het haar nooit durven vragen.'

Tot haar zestiende leefde Malika Oufkir in grote luxe, afgesloten van de buitenwereld, binnen de muren van het koninklijk paleis en in het gezelschap van de veertig concubines van de koning. Malika Oufkir spreekt met vlakke stem, emotieloos, alsof ze het over iemand anders heeft: ,,Ik leefde tussen vrouwen zonder identiteit. Ze hadden geen naam, geen contact met hun familie. Ook geen kinderen. Dat voorrecht was voorbehouden aan de koningin. Wel mochten ze kinderen adopteren. Ze kozen vooral meisjes. Ik was een uitzondering. Ik had een achternaam en een familie, ook al zag ik die bijna nooit. Sommigen waren jaloers, vooral toen ik ouder werd, maar ik wist me wel te verdedigen.'

Na de dood van Mohammed V zette troonopvolger Hassan II de opvoeding van de prinses en haar geadopteerde zusje voort. Hij was als een vader voor hen. Hij bepaalde wat ze aten en hoe lang hun rokken mochten zijn.

Op haar zestiende verliet Malika Oufkir het paleis en ging weer bij haar ouders wonen. Ze reisde naar de Verenigde Staten en Europa, proefde van het high society-leven en raakte bevriend met sterren uit Hollywood. Na een auto-ongeluk in Parijs ging ze terug naar Marokko, waar ze haar eindexamen wilde doen.

Haar vaders staatsgreep veranderde alles. Malika was achttien. Haar jongste broertje, Abdellatif, was drie.

Malika Oufkir schreef De gevangene samen met de Tunesische journaliste Michèle Fitoussi, die zij een paar jaar geleden in Parijs ontmoette en met wie zij bevriend raakte. ,,Ik moest dit boek schrijven. Ik moest de stilte doorbreken. Zolang je in stilte leeft, vermink je jezelf. Maar ik werd steeds door wanhoop bevangen, moest na een uur schrijven ophouden. Samen met Michèle kon ik het aan om weer in die hel af te dalen, al ben ik niet tot het uiterste gegaan. Te veel schroom. Ook wilde ik uit naam van mijn hele familie spreken. We hebben het tenslotte allemaal doorgemaakt.'

Tralies

Enkele dagen na haar vaders staatsgreep wordt Malika opgepakt en samen met haar moeder, broers en zussen afgevoerd naar de gevangenis van Assa, `een afgelegen plek diep in de woestijn, vlak bij de Algerijnse grens', schrijft ze, `een beerput. Op sommige plekken komen de stenen naar beneden. De dag na onze aankomst worden we gewekt door onmenselijk gehuil. Er is 's nachts een muur ingestort, er liggen zeven mouhazzins (knechten) dood onder het puin. Een slecht voorteken. De kampcommandant heeft één order: de Oufkirs klein krijgen. Opdracht van de koning.'

's Zomers was het zestig graden in de schaduw, de woestijnwinden braken de vensters. Het zand drong het huis binnen en voerde harige, giftige spinnen en duizenden schorpioenen mee. Na een jaar worden ze, om onduidelijke redenen, overgeplaatst naar Tamattaght, `een gigantisch fort in verval. We wonen in twee kleine alkoven op de eerste verdieping en hebben vaak bezoekers, dikke veldratten die door de honger agressief worden. We slaan ze met knuppels dood. Raouf is in zijn gezicht gebeten.' In het fort geeft Malika haar broers en zussen, volgens een strak schema, les in lezen en schrijven. Vier jaar later worden ze ondergebracht in het strafkamp Bir-Jdid, waar ze elf jaar gevangen zullen zitten. Ze worden uit elkaar gezet. `Mama deelt haar cel met Abdellatif, mijn zussen en ik zitten bij elkaar en Raouf blijft alleen.'

Hun laatste persoonlijke bezittingen worden hen afgenomen en voor hun ogen verbrand. De duiven, die ze uit Tamattaght hebben meegenomen en waaraan vooral de zevenjarige Abdellatif erg gehecht is, worden door de bewakers gedood. Kort na aankomst in Bir-Jdid doet Abdellatif een zelfmoordpoging door zich vol te proppen met de laatste anti-epilepsiepillen van zijn zusje Myriam. ,,Dat is het allerergste wat er is gebeurd', zegt Malika Oufkir, ,,hij wilde ons niet langer zien lijden. Hij dacht dat wij vrij gelaten zouden worden, als hij stierf. Ik hoor nog zijn stappen in die cel van twee bij twee.'

Van losse radio-onderdelen, matrasspiralen en stukjes tuinslang fabriceren ze een soort geluidskanaal, waardoor ze van cel tot cel met elkaar kunnen spreken. ,,Alles was ons afgenomen. iedereen begon langzaam gek te worden', zegt Malika Oufkir, terwijl ze af en toe een slok water neemt. ,,Eerst hebben we onze herinneringen met elkaar gedeeld. Je kunt het vergelijken met het beademen van iemand die niet genoeg zuurstof heeft. Je geeft een ander het leven dat hij of zij nooit zal kunnen leiden. Mijn moeder heeft ons haar leven van het begin tot het eind verteld. We moesten altijd lachen als ze ons vertelde hoe onze vader, tijdens hun verloving, met een gitaar op de motor zat. Ze vertelde ons ook over haar scheiding en hoe ze later voor de tweede keer met mijn vader trouwde. Mijn moeder is geen vrouw die zich onderwerpt.

,,Later, toen onze herinneringen uitgeput raakten, kwam ik op het idee een verhaal te vertellen, een sprookje over een zeventienjarige prins in het negentiende-eeuwse Rusland. Al snel had ik een verhaal met tientallen personages. 's Middags vertelde ik een korte aflevering en 's nachts een verhaal van een paar uur, waarbij ik probeerde iedereen aan zijn trekken te laten komen, zowel mijn moeder als mijn jongste broertje.'

Langzaam sterven

Het verhaal van Malika doorbreekt de stilte, maar ze lijden voortdurend honger, worden ziek en kaal. Ze verliezen iedere binding met het leven. Op een nacht doen de meisjes een mislukte zelfmoordpoging door hun polsen door te snijden met een stuk van een sardineblikje en een breinaald. Uit een opgevangen gesprek tussen twee bewakers begrijpen ze dat de koning orders heeft gegeven hen langzaam te laten sterven. Daarmee vervliegt elke hoop op gratie.

Met de moed der wanhoop besluiten ze een ontsnappingspoging te ondernemen. Tussen de inspecties van de bewakers door graven ze, wekenlang, met de hand, een vijf meter lange ondergrondse gang, die uitkomt op de akkers buiten de gevangenismuren. Ze slagen erin Casablanca te bereiken en contact te leggen met de Franse pers. Een paar dagen later worden ze gearresteerd en opnieuw opgesloten. Dankzij de internationale publiciteit rondom hun ontsnapping verbeteren hun levensomstandigheden, maar hun vrijheid krijgen ze niet terug. Nog vijf jaar lang worden ze vastgehouden in een villa buiten Marrakech. In 1996 lukt het Maria, de jongere zus van Malika, om per boot naar Frankrijk te vluchten. Daarna verstrekt de Marokkaanse regering, onder internationale druk, paspoorten aan de andere gezinsleden, die sindsdien allemaal in Frankrijk wonen.

,,Wat mijn vader heeft gedaan, respecteer ik', zegt Malika Oufkir, ,,ook al wensten we in de gevangenis vaak dat hij in zee was verdronken voordat hij zijn plan tot uitvoer had kunnen brengen. Dat hij ons niet in veiligheid heeft gebracht, is voor mij het bewijs dat hij zijn tegenstander niet kende. Hij is naïef geweest.'

Ten opzichte van Hassan II koesterde ze lange tijd ambivalente gevoelens van haat en liefde. ,,Ik vond het buitengewoon pijnlijk dat ik was grootgebracht door mijn beul. Mijn eigen vader had geprobeerd mijn adoptievader te doden. Dat had hem het leven gekost. Ik heb dit boek aan Hassan II willen opdragen en ik voel dat hij het ook heeft gelezen. Bij het nieuws van zijn overlijden voelde ik helemaal niets. Leegte. Ik heb altijd gedacht dat ik op de dag van zijn dood feest zou vieren, maar ik voelde geen enkele emotie. Bij de troonsbestijging van de nieuwe jonge koning deelde ik, als Marokkaanse, de gevoelens van hoop van mijn landgenoten. Ik voel me erg Marokkaans. Ik hou van mijn land en van zijn geschiedenis. Het is een geschiedenis gebrandmerkt door roodgloeiende ijzers, net als mijn eigen leven.

,,De nieuwe koning heeft een verschrikkelijk moeilijke taak. Hij is de toekomst, een omgeslagen bladzijde. Maar de mensen zijn zo ongeduldig. Ik vrees dat men hem niet genoeg tijd zal gunnen. Hij slaagt alleen als hij de koning wordt van alle Marokkanen, en niet alleen van een deel van hen. Hij moet Marokkanen beschouwen als burgers en niet als onderdanen. Dan pas bewijst hij dat de monarchie zich werkelijk vernieuwt en dat het land de weg inslaat van vrijheid en democratisering.'

Over het leven dat haar moeder, broers en zussen nu leiden wil Malika Oufkir weinig zeggen. Meer dan dat haar oudste broer, Raouf, ,,nog erg in de war' is, komt er niet over haar lippen. Ze heeft twijfels over haar rol tijdens hun gevangenschap. ,,Ik vraag me af of ik het wel goed heb gedaan, of ik niet te overheersend was. Eigenlijk heb ik al die tijd de plaats van mijn moeder ingenomen. Mijn broers en zussen zijn nu geen kinderen meer. Ze zetten zich tegen me af. Net alsof ik hun moeder ben. Ze willen zich bewijzen, op eigen benen staan. Ik heb me een beetje uit hun leven teruggetrokken.'

Ook over de man met wie ze vorig jaar trouwde, is Malika Oufkir uiterst terughoudend. Ze ontmoette Eric Bordeuil, een Frans architect, in Marokko, ongeveer een jaar voor haar vertrek naar Frankrijk. Nu woont ze in zijn huis in Parijs. ,,Het leven dat ik nu leid - dat van een getrouwde vrouw in het democratische Frankrijk - lijkt in de verste verte niet op het leven dat ik mij had voorgesteld. Ik vind het zo verschrikkelijk gewoontjes. Ik ben gewend ergens voor te vechten. Ik zou mezelf los willen rukken uit die moreel en intellectueel gezien maar al te confortabele situatie, waarbij je de televisie aanzet en jammert over de ellende in de wereld. Het is allemaal zo banaal als ik het vergelijk met de innerlijke belevingswereld die ik in de gevangenis kende.

,,Daar heb ik meerdere levens tegelijk geleid, ben in gedachten drie keer gepromoveerd. Ik heb in mijn fantasie gereisd, ik heb de wereld leren kennen, heb allerlei beroepen gehad. Dat was de mooie kant van de gevangenschap. Mijn begrip van tijd is er helemaal veranderd. Dat is nu mijn grootste probleem. Opeens word ik begrensd door de tijd. Nu betekent het iets om zesenveertig jaar te zijn, geen diploma's te hebben en geen werkervaring.

,,Graag zou ik anderen hun voordeel willen laten doen met wat ik heb geleerd. Ik ben gespecialiseerd in omgaan met de dood, maar ik kan niet zo maar een praktijk openen. Vriendinnen van mij die in psychotherapie zijn, vertellen me dat ik hen precies hetzelfde zeg als hun therapeut. Ze zijn gestopt met hun therapie en komen bij mij. Dat scheelt hen mooi zeshonderd francs per keer, maar ik kan het niet vragen!'

Het hindert haar duidelijk dat ze niet in staat is in haar eigen onderhoud te voorzien en steekt niet onder stoelen of banken dat ze erop hoopt dat haar boek ook buiten Frankrijk een seller wordt. Met schrijven gaat ze door. ,,Ik heb mijn eerste boek letterlijk uitgebraakt. Maar De gevangene was een boek uit naam van ons allemaal en dus ben ik zelf niet tot op de bodem gegaan. Mijn volgende boek schrijf ik alleen en in de eerste persoon.'

Binnenkort wil ze naar Marokko. Ze wil het graf van haar vader zien, in zijn geboortedorp in de woestijn. ,,Ik heb nu eenmaal een kamikaze kant', zegt ze met een trieste glimlach. ,,Bang voor de dood ben ik niet meer. Bang voor het leven nog wel. Iedere keer als ik 's morgens wakker word, heb ik pijn in mijn buik, ben ik bang voor wat de dag zal brengen. Ik heb geen menselijke gevoelens meer. Die ben ik in de gevangenis kwijtgeraakt. Haat voel ik niet meer. Haat knaagt aan je. Het is een vorm van egoïsme, waar je zelf het eerste slachtoffer van bent. Mijn levensvreugde of mijn jeugd krijg ik er niet mee terug. Ik word alleen nog maar gedreven door de wil ten koste van alles mijn huid te redden. Ik ben leeg. Ik ben van binnen gestorven. Mijn boek is mijn revanche.'

Malika Oufkir en Michèle Fitoussi: De gevangene (La prisonnière), vert. Nini Wielink, Uitg. Arena, 328 blz., f39,90.

    • Margot Dijkgraaf