Anticonceptie gold als onbehoorlijk

,,Nadat ik drie jaar als arts in Noord-Sumatra had gewerkt, ben ik in 1960 als gynaecoloog in opleiding gegaan bij professor Kloosterman in het Wilhelmina Gasthuis. Ik was op zoek naar een onderwerp om wetenschappelijk onderzoek naar te doen. Anticonceptie is nu een afgezaagd onderwerp, maar in die tijd werd er door medici praktisch geen aandacht aan besteed. De Amerikaanse wetenschapper Pincus was bezig met zijn onderzoek op Puerto Rico en er verschenen enkele artikelen in Engelse medische tijdschriften.

In Nederland vonden artsen het bovenal een onbehoorlijk onderwerp, waar je je niet mee hoorde te bemoeien. In mijn studententijd kreeg ik van katholieke co-assistenten al woedende reacties: zij wensten niet over het onderwerp te discussiëren. Waarom ik toch besloot onderzoek ernaar te doen? Mijn vrouw en ik hadden twee kinderen en dat vonden we voldoende. Anticonceptie werd in ons eigen leven een punt, dat maakte het extra interessant.

In de kliniek ging ik vrouwen onderzoeken die net een bevalling, of mogelijk een abortus hadden ondergaan. Veel van deze zwangerschappen bleken ongewenst te zijn. Ik vroeg ze wat ze hadden gedaan om niet zwanger te raken. Dat was voornamelijk coïtus interruptus, een beetje condoom, een heel klein beetje vaginale spoelingen. Het aantal ontstekingen en sterfgevallen door injecties met zeepsop was hoog.

Het is nu moeilijk duidelijk te maken hoe vreemd het destijds was om met deze vrouwen over anticonceptie te praten. Eerst stelde ik mijn vragen voorzichtig, verlegen en kreeg hele terughoudende antwoorden. Al snel kwam ik erachter dat als ik open en eerlijk mijn vragen stelde, ik rechtstreeks antwoord kreeg.

Rond diezelfde tijd organiseerde de NSVH een onderzoek onder vijfhonderd vrijwilligers naar de bijwerkingen van het nieuwste anticonceptiemiddel: de pil. Waarschijnlijk zat Organon achter dat onderzoek want direct nadat de pil in 1963 werd vrijgegeven kwam het bedrijf met Lyndiol op de markt. In de kranten verschenen berichten over dit nieuwste anticonceptiemiddel. Vanaf eind 1963, begin 1964 liep het storm. Ik herinner me nog de eerste paginagrote advertentie in de medische vakbladen: `Ter regulatie van de menstruatie' stond er in de grootst mogelijke letters boven. En daaronder - in piepkleine lettertjes - vermeldde de fabrikant dat de vrouw er rekening mee moest houden dat tijdens het slikken van de pil een zwangerschap uit kon blijven. De industrie was namelijk als de dood voor tegenstand uit bijvoorbeeld religieuze hoek.

In oktober 1965 promoveerde ik. Geen van de vrouwen die ik onderzocht had slikte de pil. Als tijdens mijn onderzoek ben ik in 1963 als een van de eerste artsen in Amsterdam de pil gaan voorschrijven aan vrouwen. Via huisartsen en gynaecologen verspreidde het zich als een olievlek. Ook in het katholieke zuiden. De pil heeft een omslag gegeven in de houding van artsen ten opzichte van anticonceptie. Omdat je het netjes als een recept uit kon schrijven was het ineens een onderwerp waar artsen zich bezig mee konden houden.

En dat heeft een paar jaar later weer voor een nog grotere omslag gezorgd. Namelijk, als je je als arts bezig houdt met anticonceptie neem je daarmee enige verantwoording voor het vermijden van zwangerschappen. Je kan dan niet meer zeggen dat het buiten je vakgebied valt. Kloosterman had van zijn opleider jaren daarvoor al geleerd: `Begin niet aan anticonceptie, want het eindigt met abortus'. En het was waar. Door de pil werden ongewenste zwangerschappen en dus abortus voor het eerst bespreekbaar. Voorheen was het als arts niet relevant of een zwangerschap wel of niet gewenst was, als medicus kon je daar toch niets aan doen.

De loskoppeling van seksualiteit en voortplanting heeft voor vrouwen enorme mogelijkheden geschapen. Je kan als vrouw leuke carrièreplannen hebben, maar als er kinderen komen kan je die plannen vele jaren vooruitschuiven. De gezinsgrootte en geboortecijfers kelderden. In januari 1966 meldde het CBS een `onverwachte dwaling van het geboortecijfer' in het voorafgaande jaar. Ze wisten toen nog niet dat het door de pil kwam, hadden er geen verklaring voor. Maar de participatie van vrouwen in het arbeidsproces was niet het enige gevolg. De mogelijkheden voor kinderen met maar één broertje of zusje zijn veel groter dan die van een kind uit een gezin van twaalf of meer. Je kunt het ook omdraaien: ouders die hun kinderen hogerop wilden laten komen, streefden ernaar het kindertal klein te houden. Dat zie je al aan het begin van de negentiende eeuw: de gezinsgrootte van adelijke personen was beduidend kleiner dan die in de lagere sociale lagen. Hoe dat mogelijk was, dat staat niet in de kronieken vermeld.''

    • Esther Rosenberg