Wrijven om niet te vergeten

Het verleden komt tot leven in de papieren afdrukken die Ton Martens maakt van vloeren en muren.

Restaurants in Japan kennen de gewoonte om van een bestelde vis een afdruk te maken voordat deze wordt opgediend. Het personeel bestrijkt de karper of goudmakreel met zwarte inkt en legt er met een wrijvend gebaar een dun vel papier overheen. ,,Na de maaltijd krijg je de afdruk als herinnering mee'', vertelt de Haagse kunstenaar Ton Martens, ,,een bewijs dat de vis die je hebt gegeten heeft geleefd.''

Met dezelfde techniek en met de bedoeling hun bestaan te bewaren, maakt Martens (1946) afdrukken van oude vloeren, muren, traptreden, straatstenen of een door krammetjes en plakband getourmenteerde achterkant van een schilderijlijst. Zoals je vroeger de beeltenis van een muntje onder een vloeipapiertje tevoorschijn toverde met een zacht potlood of een pijpje houtskool, zo frotteert Martens oppervlakten die iets te vertellen hebben. Hij spreidt papiervellen uit over houten kamervloeren van honderdjarige, slooprijpe arbeiderswoninkjes in Amsterdam, Rotterdam of Den Haag en wrijft met zelfgemaakt waskrijt elke nerf, elke knoest, elk vergeten boorgat tot leven. Ook kan je precies zien waar ooit het onwaarschijnlijk dunne wandje heeft gestaan tussen alkoof en wc. Zijn kunst balanceert op de rand van archeologie en sociologie, daarom hebben de historische musea van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag zijn vloerafdrukken in hun collectie.

Als u dit leest, trekt Ton Martens frotterend door Japan. Hij volgt de route die in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw vrijwel jaarlijks door Hollandse kooplieden werd afgelegd. Zij reisden van de Nederlandse handelspost Deshima in de haven van Nagasaki naar Edo, het huidige Tokio, om daar eerbetoon aan de Shogun te brengen en zo hun unieke handelsconcessie veilig te stellen.

Een paar dagen voor zijn vertrek vertelt Martens op zijn overvolle, Haagse zolderstudio over zijn plannen en zijn bijzondere band met Japan: ,,In november 1995 ging ik voor het eerst naar Japan, naar Kobe, negen maanden na de aardbeving. In Tsuna op het eiland Awaji, 43 kilometer van het epicentrum en een uur varen van Kobe, maakte ik de eerste frottage van een gescheurde parkeerplaats. Slopers wilden het gehavende asfalt opruimen. Een galeriehoudster uit Kobe met wie ik bevriend ben, heeft de burgemeester gevraagd of ze dat niet een weekje konden opschorten zodat ik er nog kon werken. Dat is gebeurd.''

Martens maakte in Kobe op veertien plaatsen zesentwintig frottages van 217 cm hoog en 97 cm breed, het formaat van de bladen handgeschept papier die hij uit Nederland had meegenomen. Hij frotteerde een uit elkaar gewrikte betonnen dijk en fragmenten van een gewonde loskade. De muur van een badhuis met afgesprongen tegeltjes wreef hij tot een kunstwerk, evenals een gebarsten tempeltrap.

,,Als afsluiting van die serie heb ik een vloerfrottage gemaakt van een ingestort huis in de volkswijk Nagata-ku. Het echtpaar dat er woonde had een dochter van achttien bij de aardbeving verloren. In hun ogen was de frottage een soort eerbetoon aan deze dochter. Zij waren blij dat ik het werk in Nederland zou exposeren. Zo kon hun dochter in mijn tekeningen meereizen en loskomen van die rampzalige plek.''

Monument

In 1997 keerde Martens terug naar Kobe. Nu om een muur `te doen' – in deze termen spreekt hij over zijn kunstzinnige arbeid – die na de aardbeving op miraculeuze wijze overeind was gebleven. De betonnen muur, midden in de stad, was in 1927 gebouwd ter afscheiding van een dagmarkt. Het achttien meter lange en acht meter hoge gevaarte deed ook dienst als brandscherm voor de houten huisjes die er tegenaan waren gegroeid. De muur had de status van monument gekregen omdat hij niet alleen de aardbeving had overleefd, maar ook het Amerikaanse bombardement op Kobe in de Tweede Wereldoorlog.

Nadat Martens The paper monument of the Wall had gemaakt werd de muur afgebroken om plaats te maken voor woningbouw. Dankzij een actie van een Japanse kunstenaar is het stenen monument weer opgebouwd in Tsuna op Awatji. Binnenkort wordt de gereconstrueerde muur onthuld als een beeld dat de aardbeving in herinnering moet houden. Thuis in Den Haag bewaart Martens het papieren monument in de vorm van tachtig vellen in een doos, wachtend om ooit te worden tentoongesteld.

De hofreis maakt hij met het oog op de vierhonderdste verjaardag van de betrekkingen tussen Nederland en Japan, die in het jaar 2000 wordt gevierd. ,,De Nederlandse cultureel attaché in Osaka, Hans Kuijpers, heeft mij gevraagd om ter gelegenheid van die herdenking een kunstwerk te maken. Wij kwamen al pratend op de hofreis omdat deze volgend jaar grootscheeps wordt overgedaan. Dan trekt een hele karavaan van Deshima naar Tokio met wagens waarin verleden, heden en toekomst van de Japans-Nederlandse betrekkingen worden verbeeld. Ik dacht, ik ga eerder en in mijn eentje, dan kan ik rustig mijn gang gaan.

,,Een tweede plan was om iets te doen met de waterstaatkundige ingenieurs die aan het einde van de negentiende eeuw in Japan actief zijn geweest. De hele waterhuishouding hebben zij ontworpen, havenwerken aangelegd, kaden en muren gebouwd. Dat zijn concrete dingen om te frotteren. Ik concentreer mij nu weliswaar op de hofreis, maar zal de havenwerken waar ik tegen aanloop niet uit de weg gaan. De keuze van de onderwerpen is natuurlijk het heikele punt. In Kobe wist ik ook niet van tevoren wat ik zou gaan doen. Als ik straks dingen tegenkom die verwijzen naar het verleden zal ik kijken of ik er iets mee kan doen. Maar het gaat mij ook om het alledaagse. Ik probeer zo vaak mogelijk bij mensen thuis te logeren, daar zal ik ook beslist inspiratie opdoen.''

Om van tevoren enigszins houvast te hebben heeft Martens aan de hand van een fotoboek over Japan schetsjes gemaakt. Naast elk tekeningetje staat een idee voor een frottage. Het zijn aantrekkelijk gekrabbelde stripbeeldjes op het formaat van een postzegel. Rotsblokken met op de achtergrond de berg Fuji. Een rechthoekige uitsnede uit een tempelpilaar. De stenen grachtmuur van het kasteel van Osaka. Houten raamstijlen in Kioto. En een tatami, de rieten, donker afgebiesde mat waarmee in traditionele Japanse huizen de vloeren zijn bedekt en die dankzij de verschillende materiaalstructuren ideaal is om af te wrijven.

Naast de figuratieve schetsjes neigen de meeste frottageplannen met hun krachtige, grafische vormen naar abstractie. Alleen de afdruk van een houten maskersculptuur of van een ruitvormig verkeersbord met gebogen pijl zijn als voorstelling onmiddellijk herkenbaar. In deze gevallen is het overheersende figuratieve beeld vergelijkbaar met een rubbing van een antieke grafsteen, een reproductievorm die vooral in Engeland als liefhebberij wordt beoefend.

Om de herkenbare voorstelling is het Martens niet te doen. Zijn werk sluit meer aan bij de kunst die Max Ernst in 1925 met zijn frottage-techniek ontwikkelde en bij de `automatische' beelden die Ernst in 1926 publiceerde in zijn boek Histoire Naturelle. Vooral de verschillen in oppervlaktestructuren vond Ernst interessant. Dat is ook wat Martens fascineert, maar hij voegt er de sociologische geschiedenis aan toe. ,,De frottage geeft een letterlijk beeld van een vloer, of een trapleuning. Maar meer nog dan door het letterlijke beeld ben ik geboeid door wat je niet ziet. Namelijk al die mensen die erop hebben geleefd, er gebruik van hebben gemaakt en er hun sporen op hebben achtergelaten.''

Laatbloeier

Ton Martens is een laatbloeier in de beeldende kunst. Voor hij in 1980 naar de Rijksacademie in Amsterdam ging, werkte hij als professioneel opgeleid grafisch ontwerper op bureaus in Londen en Den Haag. Na zijn `bureautijd' was hij drie jaar verbonden aan de afdeling arbeids- en creatieve therapie van de psychiatrische Ursulakliniek in Wassenaar.

Martens: ,,In de avonduren maakte ik dingen die ik ècht leuk vond, grafiek, etsen, affiches voor het Bzztôh theater. Toen het Haagse Gemeentemuseum mij vroeg voor affiches, brochures, boekjes en tentoonstellingen voor de educatieve dienst, kreeg ik steeds meer met kunst te maken. Op de Rijksacademie gaven Sipke Huismans en Pieter Holstein les. Zij spraken mij zeer aan.''

Tijdens zijn studie aan de Rijksacademie begon Martens met zijn frottage-kunst. Dat kan geen toeval zijn. Zijn twee lievelingsdocenten hebben hem zeker geïnspireerd om de kinderachtige afwrijftechniek op een volwassen manier te beproeven. Ook Huismans en Holstein zijn met hun tekeningen, collages en teksten altijd dicht bij het dagelijkse leven gebleven. Hun werk is lichtvoetig maar niet luchthartig, vol verwondering over alles wat gewoon lijkt, geestig op een droge manier. Stuk voor stuk zijn dit eigenschappen die ook gelden voor het werk van Martens. Met zijn frottages die de werkelijkheid één op één weergeven, legt hij de indrukken en afdrukken vast die de geschiedenis op harde materialen heeft achterlaten. Een hardnekkige vlek op het blad van een keukentafel. Punaises die het gladde kastpapier op de ruwe planken hebben vastgehouden. Het landschap op een uitgesleten stoeptrede.

Een voormalig koetshuis was Martens' eerste, omvangrijke `project'. Zo noemt hij zijn werkstukken graag; `projecten', omdat zijn frottages vergezeld gaan van eigengemaakte foto's en dagboeken waarin correspondentie, subsidie-aanvragen, offertes, schetsjes en materiaallijstjes tot een vuistdik geheel zijn gebundeld. De zorgvuldige ontwerper die hij altijd is gebleven, maakt van deze uitgaven begeerlijke, grafische objecten die in beperkte, genummerde oplage worden gedrukt, niet meer dan zes of tien stuks.

Het koetshuis werd halverwege de negentiende eeuw gebouwd en staat achter de woning van Martens aan de Zwarteweg in Den Haag. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig was deze diep ongelukkige buurt rond het Prins Bernhardviaduct ten prooi aan mateloze kaalslagwoede. Het was de tijd van de stadsvernieuwing en de toenmalige wethouder Adri Duivesteijn had de wijk bestemd voor nieuwe sociale woningbouw. Ook het markante koetshuis moest daarvoor wijken. Martens: ,,Ik vond het idioot om het af te breken en besloot het op mijn manier te documenteren voordat de sloperskogel er voorgoed een einde aan zou maken. Vooral de houten kapconstructie met de drie standvinken en de zakgoot in het midden vond ik indrukwekkend. Er heerste mooie chaos in dat huis en ik raakte opgewonden van de sporen die er na honderdveertig jaar gebruik waren achtergebleven.''

Aanvankelijk dacht hij met fotografische middelen het karakter en de details van het koetshuis te kunnen vastleggen. Maar de fotografie alleen bleek ontoereikend. Martens: ,,Zo'n standvink op ware grootte fotograferen is ongemakkelijk. Toen kreeg ik het idee van frottage. Dat hele lijfelijke van die techniek klikte op de een of andere manier. Het tactiele. Je voelt de materie onder het papier.''

Op 74 vellen van elk 96 bij 64 centimeter frotteerde hij de middelste van de drie standvinken. Hamerslagen, timmermans-tekens, knaagtunnels afkomstig van houtworm verschenen op het dunne Japanse papier. De afdruk van de standvink vormde de Nachtwacht van het koetshuisportret. Dit kunstwerk, dat in zijn geheel een oppervlakte van tien bij tien meter beslaat werd in de zomer van 1982 uitgelegd op de vloer van de Grote Kerk in Den Haag en later opgehangen in de hal van het Gemeentemuseum, waar de gefrotteerde constructie tot de betonnen dakliggers reikte.

De afwrijfsels van Ton Martens waren kunst geworden. En dat niet alleen. Met zijn gedetailleerd `verslag' had hij van het koetshuis een cultuurhistorisch monument gemaakt. Zo'n gebouw sloop je niet. Het koetshuis kwam als kwestie in de Haagse gemeenteraad en na de gebruikelijke verbale heisa werd van afbraak afgezien. Vanaf dat moment had de frottage voor Ton Martens iets magisch gekregen.

Werk van Ton Martens is te zien op de tentoonstelling `Het Oude Noorden...gewoon 'n gouwe wijk' in Het Schielandshuis in Rotterdam. De tentoonstelling (tot 2 januari 2000) in het Historisch Museum Rotterdam is ingericht naar aanleiding van de vloerfrottage die Martens maakte van een alkoofwoning aan de Jacob Catsstraat 23.

    • Max van Rooy