Wie maalt er om geluk?

De Poolse dichteres Szymborska won drie jaar geleden de Nobelprijs voor de Literatuur. Nu is haar werk gebundeld. Haar poëzie is een waaier van perspectieven, die alle vaste opvattingen over het leven op losse schroeven zet.

Een nieuwe ster vinden: daar zal iedere astronoom wel eens van dromen. In een van haar gedichten beschrijft Wislawa Szymborska de ontdekking van zo'n nova en wat erop volgt. Het onderzoek naar de ouderdom, de massa en de positie van de ster zou wel eens genoeg stof voor een proefschrift kunnen opleveren, vermoedt zij. Maar eerst moet de ontdekking natuurlijk gevierd worden, met een informele bijeenkomst voor de gelukkige vinder, zijn vrouw, familie en collega's, en met een bescheiden glas wijn.

Ginds in de ruimte, ergens, staat de nieuwe ster te schitteren – en hier knabbelt men tevreden op een pinda. Voorlopig lijkt alleen de dichteres zich van dit vreemde contrast bewust te zijn. Volgens de berichten is de ster groot, maar hij staat heel ver weg, waardoor hij ook meteen weer klein is, `kleiner zelfs dan andere (sterren) die veel kleiner zijn'. Zo valt er bij nader inzien nog wel meer te relativeren. Het mag dan wel om een letterlijk schitterende ster gaan, maar intussen is het sinds zijn ontdekking hier op aarde nog geen streepje lichter geworden. En alles goed en wel: als de ster niet ontdekt was, zou ook niemand hem gemist hebben. Het gaat hier om een vondst zonder gevolgen – niet voor het weer, de mode, de sportuitslagen en ook niet voor de zware industrie. En als het zo toegaat met nieuwe sterren, wat heeft het dan in het algemeen eigenlijk nog voor zin om je af te vragen onder welk gesternte je geboren wordt, of sterft?

Zo wordt de nieuwe ster al vrij snel gereduceerd tot `een ster zonder consequenties'. Als de dichteres zich aan het slot de nieuweling dan maar eens laat aanwijzen (`tussen de rand van dat grauwe, gerafelde wolkje/ en die tak van de acacia, daar links') antwoordt ze beleefd `O ja', maar overtuigend klinkt dat niet, en enthousiast al helemaal niet. En dat is het dan: de ontdekking van iets groots en schitterends, van wetenschappelijk belang, is in 36 regels teruggebracht tot de verre, met het blote oog niet of nauwelijks zichtbare aanleiding voor een klein informeel feestje met wijn, en pinda's, en wat gebabbel over alledaagse zaken. Dit lijkt op cynisme, of spotzucht, maar uit het gedicht spreekt toch eerder een vrolijke neiging tot relativeren, en een merkbaar plezier in het kiezen van verrassende perspectieven, in dit geval: het perspectief van de niet astronomisch geschoolde, nuchtere buitenstaander.

Onzekerheid

Van dit soort verrassende wendingen en uitkomsten wemelt het in de gedichten van Szymborska. `Mooi, zo'n zekerheid,/ maar onzekerheid is mooier' is een karakteristieke uitspraak, te vinden in een gedicht over twee geliefden die zeker menen te weten dat liefde op het eerste gezicht hen bij elkaar heeft gebracht. Szymborska weet wel beter, en reconstrueert een heel netwerk van mogelijke eerdere toevallige ontmoetingen die aan deze plotselinge hartstocht vooraf moeten zijn gegaan. Andere vraag: wat is eigenlijk het nut van geluk in de liefde? Is dat nu echt nodig? De vraag vormt het begin van een lang gedicht waarin Szymborska jaloersig, spottend, maar overtuigend ook het belang van het ontbréken van geluk in de liefde weet te verdedigen. Nog zo'n soort vraag: `Moet werkelijk alles, wat ook maar bestaat,/ echt maar op één manier bestaan?'De vraag wordt gesteld door een kind dat langzaam begint te ontdekken, tot zijn schrik en teleurstelling, dat dit alles om hem heen nu `de eigenlijke, de definitieve wereld' is, en dat hij het de rest van zijn leven zal moeten doen met die ene wereld, waarin een vlieg een vlieg is en een muis een muis en waarin een hond `nooit van zijn verborgen lijn wordt gelaten'.

Andere kwestie, uitgangspunt voor weer een ander gedicht: hoe zou de wereld er door de ogen van een spookdiertje uitzien? Of: door de ogen van een plant? Van een zandkorrel? Een steen? Hoe zag de wereld er voor een middeleeuwer uit? En hoe zal de wereld er voor een mensachtige over enkele duizenden jaren uitzien? Hoe kijkt een ruimtewezen naar ons? Misschien maken wij wel deel uit van een of ander experiment in een of ander ons onbekend groot laboratorium; hoe zou er dan vanachter de controleschermen naar ons gekeken worden? Wat gaat er om in het hoofd van een terrorist die zojuist een bom in het café aan de overkant van de straat heeft geplaatst en nu op veilige afstand toekijkt, terwijl hij als enige weet dat het ding over vier minuten zal ontploffen? Hoe zag het leven in het Oostenrijkse dorpje Braunau eruit in 1890, toen een vader en een moeder met hun eenjarige zoontje naar Atelier Klinger in de Grabenstrasse gingen om een foto te laten maken van hun lieve hummeltje? Op straat hing vermoedelijk `de geur van verse bolletjes en huishoudzeep'. En in de plaatselijke school had men waarschijnlijk dit tafereel kunnen gadeslaan: `De geschiedenisleraar doet zijn boordje los/ en gaapt onder het nakijken.' Mooie slotregels – zeker als je weet dat het schattige kereltje in zijn babyjurkje Adolf heette, Adolf Hitler.

Experiment

Een gedicht van Szymborska heeft wel iets van een experiment, een proefopstelling waarin nieuwe perspectieven op de wereld worden getest om te zien hoeveel rek er in de gangbare manier van kijken zit, uitgevoerd door een nieuwsgierige en verwonderde onderzoekster. De Mozart van de poëzie is zij genoemd, bij de toekenning in 1996 van de Nobelprijs voor Literatuur – om haar lichte, heldere, relativerende instelling. Die geeft haar gedichten in als `Lof van de geringe eigendunk' en wijsheden als de volgende: `ik had het nooit geloofd,/ als ik niet zelf geboren was.' Daarbij hoort ook het Mozartiaanse spelen met invalshoeken en benaderingen, en een groot compositorisch gemak: goedgekozen begin, goed gedoseerde humor en bijna altijd een trefzeker einde. Het zijn ingrediënten voor een geslaagde toespraak, column, conference of kort verhaal, maar geen typisch dichterlijke stijlfiguren. Welbeschouwd schrijft Szymborska ook helemaal geen poëzie: het gaat in deze gedichten vooral om inhoud en ideeën, waarover rustig, helder en humoristisch hardop gepraat wordt – een vorm die men meestal proza noemt.

Tegenover deze formele en inhoudelijke onbevangenheid staat onzekerheid en twijfel – aan bijna alles. Het is niet alleen maar een kwestie van een leuk ironisch effect, sterk beeld of typisch literaire oplossing om het gedicht over de kleine Adolf Hitler te besluiten met nu juist een geschiedenisleraar die verveeld de proefwerken nakijkt en niet in de gaten heeft dat zojuist een zuigeling is voorbijgekomen die een grote invloed op de loop van de geschiedenis zal hebben. Daaronder schuilt ook verbijstering over het simpele feit dat twee zulke verschillende werelden (braaf burgerleven en fascisme) onopgemerkt naast elkaar kunnen bestaan. Er is niet veel cynisme voor nodig om te veronderstellen dat dat nog steeds het geval zal zijn. Wat weten we eigenlijk van de wereld? Wat weten we eigenlijk van onszelf? Szymborska's spel met invalshoeken leidt al gauw tot existentiële peilingen – en radeloosheid ligt hier op de loer. Misschien leeft iedereen wel met zijn eigen perspectieven, en zo ja: wat stellen begrippen als waarheid, werkelijkheid en wereld dan nog voor?

Een mooi voorbeeld van deze waaier van perspectieven levert het gedicht `Onschuld'. Het begint met deze bizarre mededeling: `Verwekt op een matras van mensenhaar', gezegd van een 22-jarige Duitse vrouw. Het gedicht werd in de jaren zestig geschreven. De goede verstaander weet dan al genoeg: Polen, concentratiekampen, afgeschoren hoofdhaar, in Duitsland gebruikt als kussen- en matrasvulling. Wrang genoeg blijkt de vrouw nu voor een Duitse matrassenfirma te werken (`eerste kwaliteit, uitsluitend kunstvezel') en zij is zich, nog wranger, duidelijk van geen enkel verleden bewust. Daardoor wordt alles wat ze doet en zegt onbedoeld meteen dubbelzinnig. Ze is enthousiast en voelt zich overal thuis en weet: `Export brengt volkeren nader tot elkaar' – maar de lezer moet dan aan heel andere export denken.

Zij heeft blond haar – en ook dat onschuldige feit is in deze context al meteen beladen. Het haar reikt tot haar knieën, want haar kapper heeft haar geadviseerd het niet te laten knippen – en wij denken meteen aan minder klantvriendelijke kappers. Haar kapper weet ook dat eenmaal afgeknipt haar `nooit meer zo weelderig aangroeit', `dat is vaak genoeg bewezen, tausend- und tausendmal' – en terwijl de matrassenverkoopster vrolijk en innemend verder babbelt, zien wij in gedachten nog wel meer dan duizenden bewijzen van afgeknipt haar dat nooit meer is aangegroeid.

Perspectieven

De vrouw vertegenwoordigt onschuld, vrolijkheid, `volle bloei', `stralend van frisheid'. Maar tegelijk is zij, vanuit een ander en ouder perspectief, al bij voorbaat verdacht. Hoe haar te beoordelen? Door Poolse, Duitse of joodse ogen? Door die van haar ouders, van haarzelf of van de dichteres? Met begrippen als `schuld' en `onschuld' of zonder? Zij is, zonder het te weten, minstens twee vrouwen tegelijk.

De wereld hangt van de perspectieven aan elkaar: dat is wat de poëzie van Szymborska ons leert. En als dat zo is, dan is wat algemeen van belang wordt gevonden misschien niet zo belangrijk, en omgekeerd. Dit is wat Szymborska overdenkt, zittend onder een boom, aan de rivier, dicht bij huis, op een zonnige morgen, terwijl boven haar een witte vlinder in de lucht fladdert: `Wanneer ik zoiets zie, verlaat me altijd de zekerheid/ dat wat belangrijk is/ belangrijker is dan wat onbelangrijk is.' Zogenaamde kinderlijkheid, of dichterlijke onbevangenheid is in deze visie dan ook minstens zo belangrijk als de rest: er zijn `geen dringender vragen/ dan naïeve vragen.'

Schipperen tusen relativering en radeloosheid, tussen vrolijkheid en vergeefsheid: dat is het gevolg. Dan valt te begrijpen dat Szymborska graag haar toevlucht neemt tot die ene wereld waar zij daadwerkelijk iets te zeggen heeft, de wereld van de woorden op het witte papier. Reeën in het bos, onder haar eigen ogen uit haar eigen pen gevloeid: `Zo ik het beveel, zal hier nooit meer iets gebeuren./ Buiten mijn wil zal zelfs geen blaadje vallen,/ geen sprietje buigen onder de punt van enig reeënhoefje.' Het is de wereld waar zij, al lijkt ze het zelf nauwelijks te kunnen geloven, over het lot regeert, de tijd bepaalt en zelf oordeelt over begin en einde van het bestaan.

Hoe zal het `de geschreven reeën' in `het geschreven bos' bij `de geschreven drinkplaats' vergaan? `In elke druppel inkt zit een flinke voorraad/ jagers met toegeknepen oog,/ klaar om langs de steile pen omlaag te rennen,/ de ree te omsingelen en aan te leggen voor het schot.' Spannend scenario, maar het wordt meteen onderbroken door deze koele opmerking van de koel toekijkende schrijfster: `Ze vergeten dat dit niet het leven is.' Domme jagers.

Dat moet onze eerste gedachte zijn: domme jagers. Maar misschien doen wij in domheid niet veel voor hen onder. Het staat er niet met zoveel woorden, maar Szymborska lijkt het temidden van al haar andere perspectiefverschuivingen wel te willen suggereren: misschien zijn wij, gadegeslagen door een hoger oog, wel uit vergelijkbare druppels scheppingsinkt gevloeid. En wij maar denken dat dit het leven is.

Wislawa Szymborska: Einde en begin. Gedichten 1957 – 1997. Uit het Pools vertaald door Gerard Rasch. Meulenhoff, 304 blz. ƒ29,90

    • Guus Middag